|
Columns door Bram van
der Vlugt
Toespraak op minisymposium over
Meije Graslanden in Nieuwkoop op 26 juni 2009
Inleiding Bram van der Vlugt
In 1989, toen de
Ecologische Hoofdstructuur werd uitgevonden, was de heersende mening dat
agrarische productie tegengesteld was aan natuurbeheer. En niet geheel
ten onrechte. In 1989 bestond zelfs het wóórd agrarisch natuurbeheer nog
niet.
In 2009 weten we beter. We weten nu dat ecologie en economie heel goed
samen kunnen gaan.
Er is in de laatste twintig jaar zoveel gebeurd in de melkveehouderij,
dat ik vrees dat de provincie Zuid-Holland opdracht heeft gegeven voor
een natuurontwikkelingsplan dat gebaseerd is op verouderde inzichten.
Hoe kon dat zomaar
gebeuren?
Komt het doordat
Gedeputeerde Evertse moet voldoen aan de opdracht dat hij koste wat kost
3500 ha nieuwe natuur in zijn provincie moet realiseren? Ik weet het
niet.
Het lijkt alsof de
kaarten zijn geschud. Lees de visie die DLG heeft uitgebracht voor de
ontwikkeling van nieuwe natuur in de Meije Graslanden. Centrale
opdracht: natte natuur. Toch hebben wij van de Stichting behoud Meije
Graslanden goede argumenten om bezwaar te maken tegen dat
natuurontwikkelingsplan van de provincie Zuid-Holland.
Vechten we tegen
windmolens? Zijn we een stelletje dwarsliggers, die alleen maar bezig
zijn om een onafwendbare ontwikkeling te vertragen?
Ik geloof van niet. Wij zijn zeer bezorgd en we hebben meteen, in
october 2007 al, bij onze eerste ongerustheid een alternatief
aangeboden, waarbij het landschap wordt gespaard en boeren worden
ontzien. Vorig jaar hebben we op verzoek van de provincie dat
alternatief uitgewerkt tot een plan voor een zogenaamde ‘natuur en
landschapsboerderij’ inclusief een financiële paragraaf.
Wij hebben de
overtuiging dat het mogelijk is en ook zeer gewenst om duurzame
melkveehouderij en EHS in de meije Graslanden te combineren.
Dit kabinet spreekt
zich daarover in het coalitie akkoord ondubbelzinnig uit:
De EHS wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van een vitaal en veelzijdig
platteland. ‘De EHS’ zo staat er letterlijk,
‘biedt boeren de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen
via agrarisch natuurbeheer.’
Maar dat is niet
alles: Wij weten ons gesteund door vele uitspraken die in die richting
wijzen.
De Tweede Kamer is
in grote meerderheid van mening dat uiterst terughoudend moet worden
omgegaan met het omzetten van landbouwgrond in nieuwe natuur.
Datzelfde hoor je van veel kanten van de samenleving.
Esther de Lange,
met voorkeurstemmen in het Europarlemant gekozen, zei:
“Landbouw en natuur moeten samen kunnen gaan. Nu
verdwijnt er in Nederland te veel landbouwgrond voor nieuwe natuur. De
Europese Commissie moet duidelijker aangeven wat er precies van ons
wordt verwacht.”
Wat te denken van
een brief van De Minister van LNV die op 13 maart 2008 aan Gedeputeerde
Evertse schrijft: “Er zijn eventueel wel
mogelijkheden om binnen het bestaande moerasgebied van de Nieuwkoopse
Plassen een belangrijk deel van de doelstellingen te realiseren,
waardoor de Zuid-Hollandse Meije Graslanden mogelijk zouden kunnen
worden ontzien.”
Let op de
woordkeuze. De Minister gebruikt het woord ‘ontzien’, dat betekent
hetzelfde als dat de MeijeGraslanden ‘buiten schot kunnen blijven’ of
‘gespaard kunnen worden’ of misschien zelfs ‘gered kunnen worden van de
ondergang.’ Maar die laatste variant gaat ongetwijfeld te ver voor een
minister en neem ik zelf voor mijn rekening.
De Minister heeft
zich ook meerdere malen afgevraagd: “Waarom kiezen we niet voor landbouw
mét natuur?”
Minister Veerman
heeft destijds de aankoop van landbouwgronden ten behoeve van de EHS
tijdelijk stilgelegd.
In dit kader is het
interessant dat Theo Wams, directeur van Natuurmonumenten zich beklaagt
dat de EHS slechts met 50 ha per jaar toeneemt en dat dat er 5000 per
jaar zouden moeten zijn. Wat zou daar de oorzaak van zijn, Theo? Zouden
de bakens misschien moeten worden verzet?
En de Voorzitter
van Natuurmonumenten publiceerde als Minister de agenda VITAAL
PLATTELAND, waarin hij een pleidooi houdt voor innovatieve en duurzame
boeren. Dat deed hij als Minister vaker en met succes.
Maar ik hoor U al
zeggen:
Moeten die innovatieve en duurzame boeren dan ook boeren in een gebied
dat aangewezen is als natte natuur? De Meije Graslanden zijn een
bijzonder geval. ‘Daar nou juist niet!’ heb ik mensen van
Natuurmonumenten herhaaldelijk horen zeggen.
Volgens de DLG
visie en ook volgens Natuurmonumenten zijn de Meijegraslanden het
belangrijkste natuurontwikkelingsproject in de regio. Ik citeer:
‘De MeijeGraslanden staan in rechtstreekse verbinding met het
natuurgebied Nieuwkoopse plassen. Er ligt geen infrastructuur tussen en
geen bebouwing. De gebieden kunnen samen één geheel gaan vormen. MGL
zijn de plek bij uitstek om de waternatuur van de Nieuwkoopse Plassen te
versterken.’ Einde citaat.
De Provincie, staat
in de DLG visie, streeft naar verwerving van alle gronden in de MGL.
Streven kan altijd. Maar erg realistisch is dat streven niet.
De helft is nog niet verworven en voordat dat zover is, gaan er nog wel
een paar generaties boeren overheen. De 8 zittende veehouders zijn
allemaal sterk gemotiveerd om in de Meije Graslanden te blijven boeren.
Daarmee staat de centrale opdracht zoals die door DLG voor de meije
graslanden is geformuleerd: “natte natuur realiseren” op losse
schroeven. Gebouwd op drijfzand zou ik willen zeggen.
Ik wil in dat
verband Paul Terwan aanhalen, die in opdracht van de provincie
Zuid-Holland de plannen heeft beoordeeld: Hij schrijft:
“In internationale context is het trouwens nog maar de vraag of
laagveenmoerassen begerenswaardiger zijn dat het veenweidelandschap.”
De opdrachtgever, Provincie Zuid-Holland, heeft wat dat betreft nog geen
definitieve keuze gemaakt, maar DLG kennelijk wel en klaarblijkelijk ten
gunste van laagveenmoerassen.
Waarom is er
eigenlijk voor dit plan geen draagvlak.
De samenleving
heeft in de gaten hoe de boeren de afgelopen decennia zijn veranderd,
hoe duurzame boerenbedrijven van wezenlijk belang zijn voor het
veenweidegebied.
Steeds meer mensen begrijpen dat boerenland een grote biodiversiteit kan
opleveren. Eddy Weeda heeft daar een prachtig boek over geschreven.
Titel: BOERENDIVERSITEIT VOOR BIODIVERSITEIT. Het eerste exemplaar heeft
ie nota bene in 2004 aangeboden aan de directeur van Natuurmonumenten,
Jan Jaap de Graef!
De Meije Graslanden
zullen ondanks alle protesten wel bij het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse
Plassen en de Haeck gaan horen, maar de doelen van dat Natura
2000 gebied staan nog niet vast. Wat schrijft Gedeputeerde Evertse in
Veldwerk, het blad van Natuurmonumenten? “We
maken het beheerplan samen met de eigenaren, beheerders en andere
belanghebbenden. Wanneer we gezamenlijk merken dat een natura 2000-doel
niet haalbaar is, dan bespreek ik dat in het najaar met minister
Verburg. Ik heb met haar afgesproken dat zij pas na dat overleg de
natura 2000 doelen definitief vaststelt.”
Om de grond te
verlossen van een overmaat aan fosfaten wil Natuurmonumenten grote delen
afplaggen. Ik betwijfel of een zo drastische en onomkeerbare ingreep in
het landschap als afplaggen gerechtvaardigd is, als er nog zoveel
onzekerheid bestaat over het effect ervan. Er zijn zeer slechte
ervaringen met zogenaamd ontgronden. Is er al ergens anders op veengrond
positief resultaat behaald? Ik vraag het me af. En wat mag dat allemaal
gaan kosten?
We willen, zeggen
ze bij Natuurmonumenten, het landschap weer net zo mooi maken als toen
de Haagsche School schilders hier werkten. Nou, dat kan heel goed. Want
toen was het ook boerenland. Met koeien.
Een
melkveehouderij kan uitstekend passen binnen de Ecologische Hoofd
Structuur.
Er zijn tal van
varianten om zowel de boeren in hun waarde te laten, ze te stimuleren om
het nog beter te doen, om het eeuwenoude cultuurlandschap te behouden en
om ook een belangrijk aantal natuurdoelen te behalen. Economie en
ecologie hand in hand.
Ik hoef aan dit
gezelschap niet uit te leggen dat boeren belangrijk zijn in het Groene
Hart. Dat het landschap eeuwenoud is en uniek. Wel wil ik benadrukken
dat de MeijeGraslanden voor ons en voor veel mensen DE VOORKANT zijn van
het gebied. Terwijl het voor mensen die het gebied niet uit eigen
waarneming kennen gezien wordt als het achterste deel van natuurgebied
Nieuwkoopse plassen, zo’n achterstuk, dat je er logischerwijs aan toe
kunt voegen.
Wij vinden niet dat
de MeijeGraslanden vanzelfsprekend bij het natuurgebied Nieuwkoopse
Plassen behoren. Ik zie persoonlijk het maken van één groot nat
natuurgebied vanaf Nieuwkoop en Noorden tot aan de Meije als een vorm
van annexatie. Als iets wat ze in de zakenwereld een vijandige
overname noemen. Er is nauwelijks draagvlak voor. Wij willen dat
landschap behouden, met boeren en koeien. En dat is helemaal niet
strijdig met natuurbehoud, natuurbeheer en natuurontwikkeling.
Integendeel. Boeren plegen ook natuurbeheer,
maar MET BEHOUD VAN LANDSCHAP.
De kaarten zijn nog
niet geschud. Er is hoop. De Stichting tot behoud van de Meije
Graslanden is inmiddels als partij geaccepteerd en wordt nauw betrokken
bij het verdere proces. Het lijkt mij verstandig om die club serieus te
nemen.
Gespreksnotitie
voor Commissie LNV Tweede
Kamer, mei 2008
Gespreksnotitie van Bram van der Vlugt
Stichting Gras & Wolken
[Mijn inbreng beperkt zich tot de veenweidegebieden in het Groene Hart.]
Ik denk dat men, juist in de Randstad, zeer terughoudend
moet zijn met het omzetten van landbouwgronden in natuur. Het is een
onomkeerbaar proces met onbekende gevolgen.
Ik denk dat zorg om [bedreigde] flora en fauna heel goed kan samengaan
met ecologische landbouw.
Ik denk dat de melkveehouderij in het Groene Hart van groot belang is
1. als landschapsbeheerder,
2. als bron van kennis en kunde,
3. als producent van streekproducten.
De samenleving vraagt steeds vaker om regionaal geproduceerd voedsel
omdat dat
1. vers en lekker is
2. controleerbaar veilig is
3. herkenbaar is, identiteit heeft
4. minder belastend is voor het milieu omdat er minder transport is.
Agrarisch natuurbeheer geeft aan het landschap verbetering van de
ecologie zonder vernietiging van de cultuur. Agrarisch
natuurbeheer is een belangrijke ontwikkeling aan het doormaken. Met name
ten aanzien van waterbeheer is nog veel mogelijk. Denk aan
natuurvriendelijke oevers, van belang in verband met de
KaderRichtlijnWater
Boerenverstand en natuurbeheer gaan hand in hand en versterken elkaar
door samenwerking.
‘Met het verdwijnen van de boerenstand verdwijnt ook het
boerenverstand.’
Anders gezegd: er gaat een enorm arsenaal aan kennis en kunde verloren.
De mensen die het kunnen en het land waarop het kan, krijg je nooit
meer terug.
Natuurbeheer zonder boeren is bovendien heel duur.
Nieuwe Natuur, met nat grasland, plas-dras en moeras, betekent
een hoger waterpeil. Einde van boerenland en weidelandschap. Het
open karakter van het in heel Europa unieke cultuurlandschap verdwijnt.
Want moeras leidt onherroepelijk tot moerasbos en tot een nieuwe biotoop
met onbekende effecten. Blauwtong bijvoorbeeld wordt verspreid door
knutten, die veel voorkomen in natte gebieden. Er dreigt een muggenplaag
en een reële kans op malaria.
Maar:
Verstandig waterbeheer kan ook zonder onnodige vernatting heel goed
samen met ecologische melkveehouderij. Dank zij moderne technieken.
Zoals dynamisch peilbeheer, onderwaterdrainage, lichtere machines,
andere manier van bemesten, etc
Recent onderzoek van Alterra toont bovendien aan dat introductie van
onderwaterdrainage leidt tot aanmerkelijke vermindering van het
inklinken van het veen.
| De stedeling in de Randstad is
als consument en recreant weer verknocht geraakt aan boeren,
boerenland, boerenproducten en boerennatuur. Laten we er zuinig
op zijn. |
terug naar boven ^
Stop de kolder
Toespraak Bram van der Vlugt bij
start actie STOP DE KOLDER GEEN MOERAS IN
ONZE POLDER, 15
februari 2008
Afgelopen maandag stond er een artikel in NRC Handelsblad met de kop:
“Boer en boswachter ruziën om natuur”. Daarin wordt een boswachter van
Staatsbosbeheer geciteerd naar aanleiding van het feit dat 162 gebieden
worden aangewezen als Natura 2000 gebied. Hij zegt: “Dat betekent een
steun in de rug. Het geeft ons extra argumenten om niet te zwichten voor
maatschappeljke druk.” Zo zo, boswachter, denk ik dan, dat is nogal een
ferme uitspraak. Maatschappelijk draagvlak doet er dus niet toe...
Iemand zei van de week naar aanleiding van onze alternatieve voorstellen
voor de inrichting van de Meije Graslanden: “Wat zal Natuurmonumenten
boos zijn.” Dat hoop ik toch niet. Ik zou dat ook heel jammer vinden. De
bewoners van de Meije zijn niet tegen natuurontwikkeling. Wij vinden
alleen dat het niet of/of is, [of natuur of boeren], maar
dat het en/en moet zijn en wij willen daar een bijdrage aan leveren.
In 1989, toen de Ecologische Hoofdstructuur werd uitgevonden, was de
heersende mening dat agrarische productie tegengesteld was aan
natuurbeheer.
In 2008 weten we beter. We weten dat ecologie en economie heel goed
samen kunnen gaan.
In 1989 bestond zelfs het wóórd agrarisch natuurbeheer nog niet. Er is
in de laatste twintig jaren zoveel gebeurd in de melkveehouderij, dat je
alleen maar kunt constateren dat de provincie Zuid-Holland opdracht
heeft gegeven voor een natuurontwikkelings plan dat gebaseerd is op
totaal verouderde inzichten.
En wat blijkt dan: als zo’n plan in 2007 openbaar wordt gemaakt, is er
in de samenleving geen maatschappelijk draagvlak voor! Ja, vind je het
gek?
De samenleving heeft in de gaten hoe de boeren zijn veranderd.
De samenleving begrijpt dat we alles moeten doen om het eeuwenoude
cultuurlandschap te behouden en dat dat niet zonder boeren kan.
En de samenleving heeft door dat boeren net als vroeger de beste
beheerders zijn van het landschap.
Begrijpt U ons goed: wij zijn niet tegen de doelstellingen van een
natuurontwikkelingsplan. Wij maken alleen bezwaar tegen de manier
waarop men na zoveel jaar agrarische ontwikkeling nog steeds meent dat
de melkveehouderij in dit gebied geen toekomst heeft en dat de boeren op
den duur allemaal wel zullen vertrekken.
Wij denken dat er tal van varianten zijn om zowel de boeren in hun
waarde te laten, ze te stimuleren om het nog beter te doen, het
eeuwenoude cultuurlandschap te behouden als ook de nodige natuurdoelen
te behalen. Economie en ecologie, hand in hand.
Een ecologische melkveehouderij kan uitstekend passen binnen de
Ecologische Hoofd Structuur.
Maar: de Meije Graslanden liggen niet alleen binnen de EHS, ook binnen
een Natura 2000 gebied. Dat is gebied nummer 103 en het heet
“Nieuwkoopse Plassen en de Haeck”.
En let op: het wordt gekenschetst als “Meren en Moerassen”.
Kijk en dan vallen de puzzelstukjes ineens op hun plaats. De provincie
heeft gelijk. De natuurdoelen die in Nieuwkoopse Plassen en de Haeck
behaald moeten worden kloppen exact met de beschrijving van de
natuurdoelen in het Natura 2000 document voor een meren en
moerassengebied.
Maar dat er 500 ha grasland onderdeel is van het gebied Nieuwkoopse
Plassen, dat nog steeds geheel boerenland is, dat kom je in de
beschrijving van het Natura 2000 document niet tegen.
Dat is raar.
Maar het verklaart veel. Het heeft geleid tot een
natuurontwikkellingsplan dat de bestaande situatie negeert, geen
draagvlak heeft, geen recht doet aan cultuurhistorie of agrarisch
natuurbeheer en niet aan de toekomst van de melkveehouderij in het
Groene Hart.
En, wat ook belangrijk is: ook niet aan wat de samenleving in 2008 van
een mooi landschap verwacht.
Natuurontwikkeling is onder meer bedoeld voor bescherming van bedreigde
diersoorten.
Ik vraag me af wat eigenlijk de méést bedreigde diersoort is in het
Groene Hart.
Misschien is het wel de melkveehouder.
En terwijl U daarover
na kunt denken, geef ik graag het startsein voor de actie STOP DE
KOLDER, GEEN MOERAS IN ONZE POLDER.terug
naar boven ^
Alarm
Deze column verscheen eerder in ‘Groene Hart Visie’, voorjaar 2006
Over
het ontwikkelingsprogramma voor het Groene Hart is inmiddels al veel
gezegd en geschreven. De opstellers krijgen er flink van langs van
mensen die vinden dat dit land niet zonder boeren kan. Een van de
speerpunten in dat programma is: functie volgt peil. Dat betekent dat in
alle laagveen gebieden en in alle droogmakerijen de melkveehouderij moet
verdwijnen. Daarmee wordt botweg genegeerd dat er belangrijke
ontwikkelingen zijn op het gebied van flexibel slootwaterpeil en
onderwater-drainage, die het veen veel meer mogelijkheden geven om op te
boeren. In al die gebieden dus geen weilanden meer en geen koeien. Wat
dan wel? Laat me raden. Nieuwe natuur, water, witte schimmel en
bedrijventerreinen. Is dat winst? Of is het onontkoombaar en in elk
geval beter dan dat je niks bedenkt? De verwarring is groot.
Wat
las ik in NIEUWE OOGST, het blad van de LTO.
“Het
bouwen van huizen in het Groene Hart stopt niet, maar er liggen nog
kansen om iets van het landschap te behouden”
Het komt uit een rapport van het Landbouwkundig Economisch
Instituut, het LEI: “De stedelingen hebben behoefte aan de ruimte
en het groen op het platteland en daar liggen de kansen voor de bewoners
van dat platteland.”
Vervolgens
krijgen boeren van het LEI het advies
zich meer met het onderhoud van het landschap bezig te houden en
minder met de productie van voedsel. Grotere onzin heb ik zelden
gelezen. Een boer die zich niet bezig houdt met het produceren van
voedsel is geen boer maar een landschapsbeheerder en wat erger is: het
landschap dat hij dan beheert zal niet het agrarisch landschap zijn waar
de stedeling zo’n behoefte aan zou hebben.
Het
LEI schaart zich met dit rapport in de rij van zogenaamde realisten,
door mij graag fatalisten genoemd, die beweren dat het afgelopen is met
de melkveehouderij in het Groene Hart. De uittocht gaat door, stellen
ze, de concurrentie met grootschalige bedrijven in Europa is niet vol te
houden en je kunt maar beter het land herinrichten dan overlaten aan
verrommeling.
Als
je dat soort dingen maar vaak genoeg herhaalt krijg je zonder twijfel
gelijk. Zo krijg je de boeren wel weg.
Maar
als het agrarisch cultuur landschap van het Groene Hart je werkelijk aan
het hart gaat, dan wil je wat anders. Dan doe je je best. Dan ga je
samen met boeren op zoek naar mogelijkheden om zich door kwaliteit te
onderscheiden van bulkproductie, dan richt je je op streekproducten die
de identiteit van het veenweidegebied vertegenwoordigen. Dan stimuleer
je boeren die al in de praktijk bezig zijn om een gezonde kringloop op
het bedrijf te bereiken; die produceren op een manier die de natuur
aanwijst. Die met minder liters melk per koe, toch een beter rendement
halen en een flora en fauna op hun land hebben die natuurbeschermers
versteld doet staan.
Het
LEI vindt dat boeren zich minder moeten bezighouden met voedselproductie
en toch moet volgens het LEI in het licht van betere communicatie tussen
stad en platteland een sleutelrol zijn weggelegd voor winkels met
streekproducten. Wie die producten dan zouden moeten maken vertellen ze
er niet bij. Ze zeggen ook dat mensen die op het platteland wónen, maar
in de stad werken een belangrijke schakel zijn…..
Ik
ken ze. Ik ben er zelf zo een en ik weet dat stadse mensen die het
voorrecht hebben om op het platteland te wonen helaas buitengewoon
weinig betekenen voor het in stand houden van het landschap. Dat kunnen
ze ook niet. Sommigen maken het wel erg bont. In plaats dat ze blij zijn
dat ze gast mogen zijn op het land dat anderen zo mooi hebben gemaakt en
dat ze boeren koesteren als de behoeders van hun luxe leefomgeving,
zeuren ze over stank en geluidsoverlast.
Daar schijnen ze in Zeeland nu een oplossing voor gevonden te
hebben door in de regelgeving het begrip ‘Plattelandswoning’ te
introduceren. En voor zogenaamde Plattelandswoningen gelden dan andere
normen dan voor burgerwoningen.
Groot
alarm: Er staan volgens het Sociaal- en Cultureel Planbureau 120.000
recreatiewoningen en 220.000 stacaravans in het landelijk gebied. Nog
afgezien van 9000 reguliere woningen die recreatief worden gebruikt.
De
waarde van het Platteland staat of valt met de mensen die er wonen én
er werken. Als er op het platteland alleen nog maar mensen wonen die
elders werken, of, erger nog, mensen die helemáál niet meer werken,
dan stijgt wellicht de waarde van het onroerend goed, maar de waarde van
het land holt achteruit.
Met
het verdwijnen van de boerenstand verdwijnt de waarde van het
platteland.
En
dat is een waarheid als een koe.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
Dromenland
Deze column verscheen eerder in
‘Platteland’ nr 4, winternummer 2005
Veenweiden
heb je in Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. En dat is
het dan.Verder nergens. In de hele wereld niet. De Nederlandse
veenweiden zijn uniek. Vanwege hun historische structuur, cultuur én
vanwege hun natuurwaarde. Aan
de natuurwaarde van veenweiden wordt wel eens getwijfeld. Dat snap ik
wel. Toen in de jaren 80 van de vorige eeuw de Ecologische Hoofd
Structuur werd bedacht, was er beslist sprake
van een tegenstelling tussen boerenland en natuur. Hoe kwam dat?
Boeren waren sinds de vijftiger jaren opgejaagd om steeds meer melk te
produceren voor minder kosten en daar paste veel kunstmest bij en weinig
aandacht voor natuur. Maar de afgelopen twintig jaar is er heel wat
veranderd in boerenland. Weliswaar hebben veel boeren het hoofd in de
moede schoot gelegd, uitgeput door een overdaad aan ontmoedigende
regelgeving. Maar veel anderen zijn zich gaan bekwamen in duurzaamheid
en agrarisch natuurbeheer.
Twintig jaar
geleden leek de EHS het antwoord op verarming van flora en fauna door
boerenactiviteit. Bovendien was natuurontwikkeling de ultieme oplossing
om Het Groene Hart groen te
houden. Maar natuurontwikkeling betekent vaak ook vernatting en daar
gaat de schoen wringen. Want grootschalige vernatting betekent tegelijk
het einde van het unieke veenweidenlandschap.
Ik droom wel
eens van een melkveebedrijf van een jonge boer waar evenwicht bestaat
tussen productie en natuurbeheer. Net als vroeger. Waar kleine, lichte,
sobere koeien grazen. Blaarkoppen bijvoorbeeld. Ik droom van grasland
met een rijk en gezond bodemleven met vette regenwormen. Een gezonde
bodem is luchtig en in staat om mineralen maximaal te benutten en aan
het gras af te geven. Zo’n bodem moet met beleid bemest worden. Niet
alleen met gier, maar ook met ruige, verteerde stromest en met bagger
uit de sloten. Kunstmest komt er niet meer op. De gier uit de stal van
mijn droom stinkt niet, want de verhouding koolstof/stikstof (C/N) is zo
gunstig dat deze gier nauwelijks ammoniak bevat. Dat komt doordat die
boer structuurrijk en eiwitarm voert en dat vinden blaarkoppen lekker.
Dat soort koeien gaat lang mee, geeft wel wat minder melk per jaar, maar
gedurende meer jaren, de
melk heeft een hoog eiwit- en vetgehalte en is heel geschikt om te
verkazen. Deze jonge boer houdt zijn kalveren in een potstal, dik belegd
met stro, of misschien –dat
moet hij nog avonturen- met rietafval uit de natuurreservaten. Het
achterste deel van zijn land beheert hij namelijk als natuurland.
Misschien is het gedeeltelijk rietland met een hoger waterpeil,
misschien ook moerasbos. Dat deze boer de nesten van grutto’s en
kieviten ontziet spreekt vanzelf. Hij krijgt er trouwens geld voor. Net
als voor het onderhouden van de rijk bloeiende slootkanten, waar
zeldzame libellen je om de oren vliegen.
Verzin ik dit
alles in mijn dromen? Welnee. Het is uit het leven gegrepen. Ik ken
boeren die al zo werken en ik ken jongens en meisjes die dolgraag het
veenweidegebied op die manier in stand willen houden. Er zijn inmiddels
onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat dit soort duurzaam boeren wel
degelijk rendabel kan zijn. ‘De mythe dat boeren geen toekomst meer
hebben, moest maar es worden doorgeprikt’ zei Minister Veerman. En
zo is het.
Ik droom ook
wel eens dat zo’n bedrijf met zoveel diversiteit binnen
de EHS ligt en niet ernaast, maar die droom wil maar geen
werkelijkheid worden. Toch is dat buitengewoon jammer, want zo’n
boerderij past uitstekend in de grote aaneengesloten natuurgebieden, die
samen een Ecologische Hoofd
Structuur moeten gaan vormen. Een herbezinning van de definitie van EHS
zou een zegen zijn voor de toekomst van de veenweiden en daarmee een
belangrijke stimulans zijn voor de voedselproductie in Het Groene Hart.
Want let op mijn woorden: regionale voedselproductie is van grote
betekenis voor bewoners van de Randstad. ‘Je moet het voedsel maken
waar de monden zijn’, is een oude wijsheid en dat kan in de
toekomst wel eens noodzakelijker worden dan menigeen nu nog denkt.
Bram van der
Vlugt
terug
naar boven ^
Vertrouwen
Deze
column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’, herfst 2005
Het
Poldermuseum in Noorden bestaat al 20 jaar. Noorden ligt in het Westen.
Aan de Nieuwkoopse Plassen om precies te zijn, midden in Het Groene
Hart. De oprichter en beheerder van het museum, Gerrit Brouwer, heeft
laatst zo enthousiast zitten vertellen over zijn museum, over de
geschiedenis van Noorden, zijn passie voor het land en voor de mensen
die het gemaakt hebben, dat mijn vrouw en
ik er rode oortjes van kregen. We raakten ontroerd door zijn
verhalen.
Hij
vertelde hoe de inwoners van Noorden, in vroeger eeuwen, toen de
inkomsten van de schrale veengronden te laag werden, de bakens hebben
verzet om te overleven. Ze gingen turf maken, want ze zagen wel handel
in brandstof. Hij vertelde over het verschil tussen turf maken
in deze streek en turf steken zoals dat gebeurde in de
hoogveengebieden. Turf maak je door te baggeren en de bagger te laten
drogen op legakkers. In het
hoogveen hoef je alleen maar boven de grondwaterspiegel te graven en te
steken.
Zo
kwam er steeds meer water en de Noordenaren gingen dus ook vissen, jagen
en riet snijden. De activiteiten werden door de seizoenen heen
georganiseerd: turf maken in
de zomer, ruigt snijden in september-oktober, mos plukken in november en
december, in januari riet snijden en in het voorjaar sluiken. Dat is het
schoonmaken van het riet om het geschikt te maken als dakbedekking.
De
kinderen verdienden een zakcentje met het oogsten van valeriaan, kalmoes
en zonnedauw. Nou ja, zakcentje: in veertien dagen verdienden ze meer
dan hun vader in een maand….Maar ze mochten de centjes niet zelf in
hun zak steken: jaarlijks werden er door de moeder communiejurkjes en
aanneem-pakjes van gekocht.
De
Noordenaren benutten alles wat ze konden gebruiken, maar zorgden er wel
voor dat ze hun schepen niet achter zich verbrandden. Het motto was en
is nog steeds: als je goed bent voor de natuur is de natuur ook goed
voor jou. Ze keken dus wel uit om niet alle planten te rooien, de hele
plas leeg te vissen, of alle eenden weg te schieten.
’s
Winters visten ze onder het ijs. Het ijs werd ook geoogst en opgeslagen
in ijsschuren. Brouwer laat zien hoe die er uitzagen, “met zúlke
dikke houten wanden met zaagsel ertussen!”
Er staat er nog steeds eentje in Noorden.
Als
kind werden ze de bomen in het bos van Blom ingestuurd om
purperreiger-jongen te ringen. Ze telden ooit in één jaar wel 365
purperreiger nesten! Kom daar nu es om. Waar zijn ze gebleven? Waardoor
is de purperreiger kolonie in het Nieuwkoopse plassengebied, waar
Natuurmonumenten zo trots op is, gedecimeerd? Komt het misschien door de
vossen? Die niet mogen worden bejaagd?
Wie het weet mag het zeggen.
Brouwers
museum toont een veelheid aan gereedschappen, kledingstukken en
gebruiksvoorwerpen die tezamen een mooie indruk geven van de
geschiedenis van de streek. Ik vroeg hem of hij al die spullen zelf
heeft gekocht. “Ik heb nooit wat gekocht”, zei hij. “Altijd alles
gekregen. Je moet het vertrouwen hebben van de dorpelingen”.
Vertrouwen
is ook de basis waarop bijvoorbeeld het Westelijk Veenweidegebied
behouden kan worden. We zouden wat meer moeten vertrouwen op de boeren.
We redden het niet met ambitieuze plannen die met mooie woorden door
dure bureaus zijn ontwikkeld.
In
Trouw schreef Annelies Huygen een tijdje geleden daarover:
“Radicale
veranderingen zijn typerend voor de wereldvreemde tekentafelcultuur in
Haagse kringen. Het werkt als volgt:. Bestuurders leggen een wit papier
op de tekentafel en bedenken een model. Alles in de sector moet anders.
Wat goed is moet ook weg, anders klopt het model niet meer.[….] Het
gehele veld moet zich maar schikken. Dat is de arrogantie van de
macht.”
Echte
vernieuwing komt van onder af. Soms uit nood geboren, zoals vroeger in
Noorden, maar altijd uit de praktijk.
Koos
van Zomeren schreef eens:
“Wat
uniek is, is onvervangbaar en wat onvervangbaar is, kun je maar één
keer verknoeien.”
Maar
wat uniek is kan wel worden verbeterd, versterkt en verlevendigd. De
creativiteit waarmee steeds meer melkveehouders kleinschalige productie
en natuurbeheer weten te combineren, is revolutionair
en essentieel voor de toekomst van de veenweiden. Daarover maar
weer es een volgende keer.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
Kaartenhuis
Deze column verscheen eerder in ‘Groene Hart Visie’, zomer 2005.
Er is weer
een nieuw plan voor het Groene Hart. Het wordt beschreven in een boekje
met een mooie titel: “Met het Groene Hart op de juiste plaats”.
Uitgegeven door zeven samenwerkende
natuur- en milieuorganisaties in Zuid-Holland, -ze noemen zich CONSEPT-
en het ziet er prachtig uit. Consept verdeelt het Groene Hart in zes
landschapstypen om, zoals er staat: de kwaliteit van het
veenweidenlandschap duurzaam vast te leggen. Want: -ik citeer- “De
kwetsbare veenweiden zijn ‘het hart van het Groene Hart’. Zonder
deze veenlandschappen verliest het Groene Hart zijn vitaliteit en
kenmerkende eigenschappen die het zijn internationale allure geven.”
Dat is klare taal. Een kaart toont de verdeling van de zes typen
landschappen: cultuur- en weidevogelland, weidevogellandschappen, natte
landschappen, natte natuur, parklandschappen en droogmakerijen. Het
lijkt heel wat, maar als je goed leest vind je nogal wat ongerijmdheden.
Consept richt
zich in het begin vooral op het veenweidenland. Het lijkt er zelfs op
dat het Groene Hart alleen
maar uit veenweidenlandschap zou bestaan. Dat is natuurlijk niet
zo. Om de discussie op gang
te brengen hebben ze alvast
de invulling van drie van de zes landschapstypen geschetst: een stuk
cultuurhistorie met weidevogels, een gedeelte met natte natuur en een
plan voor uitgestrekte parklandschappen. Op dit punt aangekomen laten ze
de voorkeur voor veenweiden meteen al los, want in natte natuur heb je
geen weiden en in parklandschappen hoogstens speelweiden.
In het
cultuur-met-weidevogels ontwerp, schrijven ze,
neemt de veenweidenboer een onmisbare plaats in. “Het
verdwijnen van de melkveehouder uit het veenweidegebied is net zo’n
grote bedreiging als het andere uiterste: agro-industrialisatie.”
Maar op de volgende pagina wordt ondubbelzinnig gesteld dat de
economische vitaliteit van de melkveehouderij in de veengebieden laag is
met sombere toekomstperspectieven. Dat gelezen hebbend begrijp je de
indeling in zes landschappen ineens veel beter: Hooguit 10% is
ingetekend als cultuurland (met weidevogels). Veel grotere stukken zijn
bedoeld als natte landschappen of natte natuur. Tot mijn verbijstering
spreekt men bij natte landschappen onbekommerd over natte landbouw met
streekproducten en waterberging. Dat noem ik een gotspe. In natte
landschappen is echt geen koe te zien, hoogstens zwemmend;
er groeit geen voedzaam gewas, de bodem verarmt en ik ben
benieuwd aan welke streekproducten men denkt. Turf soms?
De kaart is
samengesteld op basis van een grondige analyse van huidige- en
toekomstige natuur- en landschapswaarden in het plangebied. Men baseert
zich, lees ik, op beleidslijnen over bouwlokaties, infrastructuur,
transformatiezones, waterbergingsgebieden,
recreatieontwikkelingsgebieden en lokaties voor nieuwe natuur. Maar over
beleidslijnen op agrarisch gebied lees ik niks.
Men realiseert zich
kennelijk niet dat de sombere toekomst die de melkveehouderij wordt
toegedicht, betekent dat het ‘unieke agrarische cultuurlandschap met
internationale allure’ onherroepelijk zal verdwijnen. Hun hele schets
voor cultuurhistorie met weidevogels en koeien stort dan als een
kaartenhuis in elkaar. Geen melkboeren, dan ook geen koeien. Geen
koeien, geen weiden. Geen weiden, geen weidevogels, geen
cultuurlandschap, wel vernatting.
De stelling
dat de melkveehouderij geen toekomst heeft in het gebied gaat geheel
voorbij aan de revolutionaire ontwikkelingen die in boerenland gaande
zijn. Steeds meer boeren produceren kleinschalig en duurzaam melk, vlees
èn landschap. Steeds meer boeren zien natuur- en landschapsbeheer als
een geïntegreerd onderdeel van hun bedrijfsvoering. Steeds meer boeren
hebben een steeds hogere benutting van mineralen, steeds meer boeren
ervaren dat duurzaam ook rendabel kan zijn. Voorbeelden te over. De
premisse van de natuurorganisaties dat het afgelopen is met melkboeren
in de veenweiden lijkt realistisch, maar is naar mijn mening
fatalistisch en kortzichtig. Als het ze ernst is, zouden ze zich meer
moeten inzetten om jongens en meisjes die er nog zin in hebben, over de
streep te trekken om boer te blijven. Als grootgrondbezitters hebben ze
veel invloed op overheden, politici en het landbouwonderwijs. Die
invloed aanwenden is puur
eigenbelang. Of zijn al die woorden over onmisbare boeren een
zoethoudertje? Als we niet
slim en creatief zijn, zijn er over
een paar jaar geen boeren meer. Dat is onherstelbaar verlies. Ook
voor de natuur.
De brochure
van de natuurorganisaties dient als uitgangspunt voor discussie: Een
open dialoog, schrijven ze. Ik ben maar vast begonnen.
Bram van der
Vlugt
terug
naar boven ^
Ouwe
Koeien
Deze
column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 2, 16 april 2005
Het
was feest op de boerderij van Spruit. Triple werd 20 en Blije Bontje van
14 had
10.000 kilo
vet en eiwit gegeven. Welke boer laat nou een koe twintig jaar worden
als ze allang geen melk meer geeft? Spruit dus. Triple heeft meer dan
125000 liter
melk gegeven, is nu met pensioen en scharrelt wat rond. Beide
feestvarkens kregen een ereplaats temidden van de feestgangers in een geïmproviseerde
potstal begrensd door balen hooi.
De
Hooggeleerde Feestspreker stond op zo’n hooibaal en werd door Triple
zowat omver geduwd. “Je staat op mijn eten!” leek ze te
willen zeggen.
Meestal
worden koeien niet zo oud. Uitgemolken? Weg met die koe. Natuurlijk
mogen op dit bedrijf ook niet alle koeien met pensioen, maar ze gaan wel
langer mee dan op sommige andere bedrijven, die er trots op zijn dat ze
zoveel mogelijk liters per jaar uit een koe trekken. Maar is zo veel
mogelijk ook altijd het meest rendabel? Boeren beginnen daar zoetjes aan
genuanceerd over te denken.
De
Hooggeleerde Feestspreker prees dit bedrijf om zijn hoge graad van
kringloopdichtheid, als ik het zo mag samenvatten. Weinig
mineralenverlies, hoog eiwitgehalte en laag ureumgehalte in de melk,
slootkanten met bijzondere planten en beestjes en dan ook nog een goed
rendement. Dat kan dus kennelijk wel. Het is het resultaat van een
bedrijfsvoering die traditioneel is èn vernieuwend. Een soort van
melkveehouderij die gebaseerd is op vroeger en de weg kan wijzen naar de
toekomst.
Nog
een voorbeeld. Het biologische bedrijf van Koos en Monique van der Laan.
Een bloeiend bedrijf. Monique onthulde in haar column in Rijn en Gouwe
dat zij maar
160.000 liter
melk per jaar produceren (quotum). Dat is veel minder dan wat voor een
familiebedrijf als minimum
wordt beschouwd. Ze legt het uit:
5.500 liter
per koe per jaar, koeien zijn gezonder, gaan langer mee. Lagere kosten,
minder veeartsen, minder duur krachtvoer, meer eigen gras, hoog
eiwitgehalte èn extra melkopbrengst vanwege biologisch boeren. Ze
verkopen eigen kalfsvlees. Ze
verdienen nog wat extra omdat ze een vergaderruimte exploiteren en
excursies geven, dus Koos en Monique hebben geen klagen. Een heel ander
bedrijf dan Spruit, maar beide vitaal en met toekomst.
Intussen verschijnt
er een Wagenings rapport getiteld: VEENSPRONG. “We moeten creatief
durven denken. We willen frisse, nieuwe ideeën” staat er. Dus
Veensprong suggereert drie modellen voor
het Westelijk Veenweidegebied van de Randstad. 1: Grootschalige
boerderijen van
1500 ha
waar 4 boeren op boeren. 2: Een soort klein Toscane of “Slow region”,
dwz een nationaal belevingslandschap met boerderijen als de twee die ik
hierboven beschreef en 3: een moerasachtig gebied zonder boeren, maar
met hoge natuurwaarde. “Everglades in de polder”.
De
samenstellers spreken nadrukkelijk geen voorkeur uit. Temeer omdat de
modellen nog moeten worden doorgerekend. “De alternatieven zijn
bedoeld als inspiratie” schrijven ze.
Toch
koppen twee kranten die het rapport bespreken: “Veehouderij Groene
Hart moet grootschalig”. Waarom doen die kranten dat? Dat staat er
niet en het is misplaatste stemmingmakerij. Grootschalig? Hier?
Laten we als bewoners van de Randstad eens creatief durven denken
over wat het voor ons betekent als die kleine, gezonde, innovatieve en
traditionele bedrijven uit onze achtertuin verdwijnen. Lang leve de ouwe
koeien.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
Vitaal Platteland?
Deze
column verscheen eerder in “Platteland”, het magazine van Vrienden van het Platteland,
voorjaar 2005.
In Vrij Nederland stond een artikel over twee boeren in de
Ronde Hoep. Dat is een gebied in de buurt van Ouderkerk aan de Amstel.
De ene, Siem Bouwman is 74, heeft zo’n twintig jaar geleden zijn land
verkocht aan wat hij noemt ‘de jongens en meisjes van natuurbeheer’
en is een manege begonnen. Stralend poseert hij met zijn dochter en een
mooie merrie voor zijn bloeiende bedrijf.
De koeienstal is omgebouwd tot pension voor ruim dertig paarden.
“Daar kun je niet tegenop melken” zegt Bouwman geheel naar waarheid.
De andere boer, Gerard Timmer, is dertig jaar jonger en
heeft tonnen geïnvesteerd in een nieuwe koeienstal, meer land,
melkquotum en mestrechten. Hij en zijn vrouw Margreth geloven nog in een
toekomst als melkboer. Ze houden wel hun twijfels, maar Gerard komt
fluitend uit de melkput.
Beide bedrijven kunnen met recht vitale bedrijven
worden genoemd. Mijn vraag is wel: welk bedrijf draagt het meeste bij
aan een vitaal platteland?
De Nota Ruimte van de Minister van VROM noemt een open
ruimte waar veel geld verdiend kan worden Vitaal. Wonen en werken is het
uitgangspunt en daarnaast moet er nog genoeg
rust en ruimte overblijven voor de hardwerkende bevolking.
De Agenda Vitaal Platteland Van het Ministerie van LNV
lijkt zich meer zorgen te maken over de vitaliteit van nu juist die
broodnodige rust en ruimte.
Het woord ‘vitaliteit’ is geduldig en klinkt
sympathiek, wie wil er niet vitaal zijn? Maar de Nota Ruimte jaagt in
zijn streven naar vitaliteit de boeren weg en bewondert de vitaliteit
van de Bouwmannen, de bedrijventerreinen, de rokende schoorstenen. De
Agenda Vitaal Platteland houdt ons voor dat continuïteit van een vitale
melkveehouderij voorwaarde is voor de continuïteit van een vitaal
platteland.
Wij beginnen steeds meer in te zien dat als je dat mooie,
unieke cultuurlandschap wilt behouden, we het niet alleen moeten hebben
van natte natuurreservaten zoals bedoeld in de Ecologische Hoofd
Structuur. Zonder boeren geen koeien , zonder koeien geen open
landschap, zonder koeien ook
geen voedselproductie om trots op te zijn, zonder vitale melkveehouderij
geen behoorlijk natuurbeheer. Boerennatuur is ook natuur. Niet overal,
maar wel steeds vaker en spannender. En boerennatuur, geloof dat nou
maar, is in het Groene Hart
de beste garantie voor continuïteit van het landschap.
Maar de liefde van diezelfde boer gaat wel door de maag en
zonder goed geld gaat het niet.
De boer moet daarvoor een steuntje in de rug. Van de
politiek en ook van ons. Van de Vrienden van het Platteland. U bent niet
alleen vriend, U bent ook medeplichtig. Begrijp me goed, dat betekent
niet dat U medeschuldig bent, maar U bent wel medeverantwoordelijk. Koop
streekproducten. Laten we ons inzetten voor verbrede landbouw in het
Groene Hart. Daar bedoel ik mee: een melkveehouderij, die zijn
basisinkomen verwerft uit de productie van melk en vlees, tegelijkertijd
een goede boterham verdient aan landschapsbeheer en daarnaast,
voor wie dat kan en wil, ook aan activiteiten in de sfeer van toerisme.
De Wageningse hoogleraar Lijbert Brussaard
besloot vorig jaar zijn reactie op de Victor Westhoff lezing door
Dr Andre van der Zande, Directeur generaal van het Ministerie van LNV
als volgt: “Er ligt een geweldige kans (voor natuurorganisaties)
als ze zich actiever richten op het behoud en de uitbreiding van dat
deel van de boerenstand, dat zijn toekomst zoekt in de verbrede
landbouw.” (…) “Want
zolang wij als samenleving de economische levensvatbaarheid van de
grondgebonden landbouw in de hand hebben, (…) ben ik niet bereid om
ten behoeve van mijn emoties als natuurliefhebber, de boeren
afscheid te laten nemen van hun liefde tot het land.”
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
Boeren, natuur en
boerennatuur
Deze
column verscheen eerder in GROENE HART VISIE, het kwartaalmagazine van
de Groene Hart Stichting, voorjaar 2005.
Ik vraag me wel eens
af of de tegenstelling die er bestaat tussen Ecologische Hoofd Structuur
(EHS) en boerenland terecht is. Neem nou
de Meije graslanden. Dat is een gebied van boerenland, sloten,
rietlanden en bosjes tussen de Meije en de Nieuwkoopse plassen. Bij de
vaststelling van het Plan de Venen zijn deze Meije graslanden
voorbestemd om binnen de EHS te vallen. Daarmee zijn ze onttrokken aan
de agrarische bestemming. Elke boer die daar stopt kan zijn land
verkopen aan de overheid en Natuurmonumenten neemt het beheer over. Op
dit moment zitten er nog heel wat boeren en zolang die niet allemaal weg
zijn, kan het voornemen van Natuurmonumenten om het hele gebied als
natuur te ontwikkelen nog niet verwezenlijkt worden.
Even precies zijn:
het achterste deel ligt tegen de water- en rietlanden van de
Nieuwkoopse plassen aan. Vogelbroedgebieden, purperreigerkolonies,
plas-dras, rietland, kortom een belangrijk en bijzonder ecologisch
gebied met wat men noemt kwetsbare flora en fauna.
Maar aan de voorkant
is de bewoonde wereld. Daar staan de boerderijen, daar rijden, lopen en
varen de toeristen, daar is
het aloude cultuurlandschap nog volop aanwezig. Kan dat dan niet zo
blijven, ook al ligt het binnen de EHS?
Vooralsnog vindt de terreinbeheerder (Natuurmonumenten) wel dat
de weilanden open moeten blijven, dus gemaaid en/of beweid, maar een
duidelijk beleid is daar niet over. Valt ook niet mee zolang die boeren,
die niet weg willen, daar nog tussen zitten.
Maar er lijkt onlangs
een belangrijk besluit te zijn genomen. Boeren kunnen nu via de
agrarische natuurverenigingen voor vijf jaar een paar hectares pachten.
Boeren blij. Voor weinig geld vergroten
ze de oppervlakte van hun land
ter wille van de berekening van Groot Vee Eenheden en mestrechten. En ze
kunnen een centje bijverdienen met
weidevogel- en slootkantenbeheer. Terreinbeheerder
ook blij, want het land wordt op een nette manier beheerd. Maar De
Terreinbeheerder staat niet toe dat zich een jonge boer vestigt in de
Meijegraslanden. Waarom niet? Dan zit je aan zo’n bedrijf langdurig
vast en EHS is per slot geen boerenland. En hier wordt naar mijn gevoel
een gouden kans gemist tot schade van de continuïteit van het
landschap, van de ecologie en de
economie. Oogkleppenpolitiek noem ik dat. Verkokerd en kortzichtig
denken.
Wat is die gouden
kans dan? Er zijn problemen
met bedrijfsopvolging. Dat is bekend. Grond is duur. Melk goedkoop.
Europese concurrentie fataal. Toekomstperspectief is hier twijfelachtig,
zeker als je je schaal wilt vergroten en mee wil groeien in de vaart der
volkeren.
Maar er zijn ook
jongens en meisjes die daar anders over denken. Die niets liever willen
dan doorgaan waar opa en oma en generaties daarvoor ook boerden. Die
niet snel rijk willen worden, maar wel hun liefde voor het land en het
melkveebedrijf willen kunnen verzilveren.
Dat soort wil niets
liever dan boeren op een innoverende, traditionele manier. Dat klinkt
tegenstrijdig, maar het is precies waar het om gaat: Vernieuwen naar
vroeger. Een ouderwetse manier van omgaan met bodem, planten en dieren,
met sloten, slootkanten en geriefbosjes. Het kan. Het is meer dan een
droom. De mogelijkheden worden steeds concreter. Een sobere koe, een
uitgebalanceerd voerpatroon, ruige mest, bagger uit schone sloten,
gedifferentieerd maai- en weidebeleid,
gevoelig waterpeilbeleid,
-dat heet sinds kort “boerenverstandpeil”-,
potstallen voor kalveren. De elementen voor een natuurboerderij zijn
talrijk. Wat levert het op? Een kwaliteitsproduct aan melk en vlees èn
een kwaliteitslandschap met een rijke flora en fauna. Geen nieuwe
natuur, maar voortzetting van oud cultuurlandschap met een hoge
natuurwaarde. En dat alles zou gerealiseerd kunnen worden binnen de EHS.
Daar hóórt zo’n nieuwe, ouderwetse boerderij ook en achter in dat
land krijg je dan uitbreiding van reservaten en broedgebieden. Zoiets heet in het jargon een
win-win situatie voor de lange termijn.
Als we niet verder
gaan dan het verpachten voor 5 jaar aan boeren die nu nog elders zitten,
ben je in 10 jaar door je pachters heen en zeg dan maar dag met je
handje tegen het bestaande landschap. Dan komt er dus geen boerenland
binnen de EHS. Dan krijgen we daar Nieuwe Natuur met een hoog waterpeil.
Zoals afgesproken. Hopelijk
met een rijke flora en fauna, maar geen open cultuurlandschap En denk
maar niet dat je op die manier het inklinken van het veen kunt
voorkomen.
Oproep aan
beleidsmakers en terreinbeheerders: Laten we niet star vast houden aan
eerder ingenomen standpunten, maar laten we een beetje creatief denken
met een langere termijn in het hoofd dan een jaar of vijf.
Zoiets zou je een Groene Hart Visie kunnen noemen.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
De
Regenworm
Dit artikel verscheen eerder in
'Gras & Wolken', juli 2004
Vorig
jaar zeilde ik op het IJsselmeer. Op een Volendammer kwak.
Dat is een ouwe eiken vissersboot. Overgebleven van de
voormalige Zuiderzeevloot. Tijdens die zeiltocht, waarbij we
verschillende havens aandeden, realiseerde ik me wat de gevolgen
zijn geweest van de aanleg van de Afsluitdijk. Die zegenrijke
Afsluitdijk, die Friesland ontsloot, het zoute water buiten
de landsgrenzen hield, 0veranderde de Zuiderzee in een
binnenmeer en daarmee ging een wereld van eeuwenoude cultuur
verloren. De hele kust vanaf Wieringen, langs Enkhuizen,
Volendam via Spakenburg tot in Friesland toe was
in één klap zijn bestaansrecht kwijt: de zeevisserij. En met
de zeevisserij verdween aanvankelijk ook handel en nijverheid
die van de visserij zijn afgeleid.
Scheepsbouw, touwslagerij, noem
maar op.
De
basis onder het bestaan was weg. Overlevingsdrang leidde tot nieuwe
activiteiten, andere bronnen van inkomsten, waarvan vele
echter met een museaal of recreatief karakter. De kracht van de
afzonderlijke dorpsgemeenschappen leidde wel tot behoud van
karakteristieke eigenschappen zoals architectuur, klederdrachten en
folklore. Maar één verschijnsel was onheilspellend en
niet te keren: de jeugd trok weg. En daarmee veel vitaliteit en energie.
Nooit
meer honger
Zo’n tien jaar en meer geleden stonden boeren te boek als
viespeuken. Logisch. De boer was
het product van de naoorlogse ratrace naar
steeds meer produceren voor steeds minder geld. Schaalvergroting,
ligboxenstallen, gierkelders en melkputten, vette
leningen van de boerenleenbank, en vooral: steeds meer kunstmest.
Het naoorlogse motto was: nooit meer honger. Het Plan
Mansholt was in de jaren vijftig een briljante revolutie tot heil
van boer en voedselproductie. En inderdaad, de boer werd er
beter van en vervolgens ontstond een melkplas en een boterberg van
heb ik jou daar. Dus kwamen er melkquota, superheffingen en
tenslotte spijtbetuigingen van de oude Mansholt zelf.
Maar
inmiddels was de boer de vijand van de natuur geworden en
natuurorganisaties de vijand van de boer. Benutting van mineralen,
voor de oorlog nog ruim boven de 50%,
waren door overvloedig kunstmestgebruik
en korte-termijn-denken dramatisch teruggelopen
tot minder dan 15%. En al die niet benutte mineralen kwamen
in het milieu terecht. De oplossing kwam zo’n 13 jaar
geleden en was briljant: De Ecologische Hoofdstructuur! Waar natuur is
kan je geen huizen en bedrijven bouwen.
Groen
waas
De term Nieuwe Natuur werd het toverwoord van de jaren 90. Briljant,
in meerdere opzichten. Meer natuur, minder boeren, dus minder
vervuiling. Net zo makkelijk. Nu zeggen we: we hadden jarenlang
een groen waas voor de ogen. De ontmoedigende, steeds
strengere regelgeving heeft veel boeren ertoe gebracht om
hun kinderen af te raden om door te ploeteren als koeienboer in
kikkerland. Boeren kan je beter in Denemarken, echt ondernemen
kan je beter in een ander vak. De vergelijking met
de Zuiderzeehavens na de Afsluitdijk dringt zich op.
Nieuwe
landbouw en oude natuur
Het Veenweidegebied in het Groene Hart is uniek in de wereld.
Om zijn maat, zijn verkaveling, zijn
waterrijkdom, zijn cultuurhistorie. Dat
gebied is echt niet te redden met nieuwe natuur. Niet
met actieve of passieve vernatting. Dit gebied is alleen te redden als
er boeren blijven die koeien hebben
en daar hun brood mee verdienen. Dit
verhaal zal gaan over een ouderwetse manier
van boeren met moderne middelen.
Over Nieuwe Landbouw met het
boerenverstand van vele generaties. En
over Oude Natuur. Dit verhaal gaat over
de regenworm. Drie jaar geleden
viel het nog op als je suggereerde
dat de boer van oudsher de beste
beheerder is van het landschap en de
ziel van het platteland. Nu al is dat ouwe
koek. De boer krijgt eerherstel. Hij mag
weer een beetje trots zijn op zijn zegenrijke
arbeid. Wederzijds wantrouwen tussen
natuurbeheerders en boeren neemt
af. En terecht. Want niet alleen vindt
bij natuurorganisaties voorzichtig een
omslag in het denken plaats, in boerenland
zijn spectaculaire ontwikkelingen gaande.
Maar hoe hou je een volgende
generatie hier. Een rare vraag: hoe
komt een jonge melkboer vandaag de
dag aan een goed belegde boterham?
Dom
en kortzichtig
Als de omstandigheden in het veen midden
in de drukbevolkte Randstad zo zijn
dat de kostprijs van melk hoger ligt dan
elders, dan moet je niet willen concurreren op
de wereldmarkt, maar dan moet je
ook niet het produceren van melk
degraderen tot nevenactiviteit, want
dan ben je binnen één generatie al je
boeren kwijt. Het is dom en kortzichtig om
dan maar te concluderen dat voedselproductie hier
niet nodig is. Het is dom en
kortzichtig om te stellen dat die dure,
schaarse grond efficiënter kan worden gebruikt.
Het is vooral dom en kortzichtig om
voor je voedselvoorziening geheel
afhankelijk te worden van het buitenland.
Het is slecht voor het milieu en
het getuigt van weinig historisch besef.
De regenworm kan de sleutel zijn voor
een ecologisch èn economisch duurzaam
landelijk gebied. De regenworm
kan de weg wijzen naar een betere
economische positie van de
melkveehouderij. En tegelijk
naar een rijke boerennatuur
met een flora en fauna waar
ze bij Natuurmonumenten U tegen
zeggen. Dat is nogal wat voor een wormpje.
Goud
werd afval
Eigenlijk is het in de melkveehouderij misgegaan
met de komst van ligboxenstallen en
gierkelders. Vroeger had je grupstallen
en potstallen en dus ruige stromest.
Dat was het goud van de boer. Verteerde,
ruige stromest en bagger: samen
zorgden ze voor mooi, voedzaam gras
en voor langdurig vruchtbaar land. Drijfmest
bestond niet en het woord mestoverschot
was nog niet uitgevonden. De
ligboxenstallen waren een zegen voor boer
en koe. Net als destijds de Dijk. De gierkelders
gaven ook een boel gemak. Maar het
fenomeen drijfmest bleek een levensgroot
probleem op te leveren. Mest werd
vooral een afvalproduct. En de vraag
werd: Hoe kom ik van die stinkende, ammoniakrijke,
vervuilende, giftige rommel af?
Ammoniak dampen stinken een uur in
de wind en maar weinig stikstof uit
drijfmest wordt opgenomen door de
bodem. Kunstmest was het wondermiddel. Snel
werkend en makkelijk. Want het gras
groeide als kool en we wilden meer
melk per koe. Maar de grond verarmde en
werd uitgeput. Samengevat: door de
ligboxenstallen hadden we ineens
een mestprobleem en een groeiend milieuprobleem.
Het goud dat het voedsel voor de
planten was, was afvalproduct geworden.
Injecteren?
We kregen de MINAS. Door velen verguisd, de
controle leek nergens op maar dat
voortdurende meten: wat komt erin aan
mineralen en wat gaat eruit, hield de boeren
wel scherp. Nu minas weer is afgeschaft
en er een buitengewoon botte Europese
mestwetgeving voor in de plaats
komt, is er al heimwee naar de tijd dat
er nog –zoals ik las- die elegante regelgeving
was die minas heette. Een melkveehouder:
"Bij minas kon ik mijn vakmanschap
laten zien, bij de aanvoernormen kan
dat niet meer." Een ding is
zeker: de laatste jaren
werd de mineralenhuishouding efficiënter
en het milieu minder belast.
Toch is één aspect stelselmatig
onderbelicht gebleven: de vitaliteit
van het bodemleven. Dikke vette
regenwormen spelen daarin een
belangrijke rol. Zodebemesting, in
de wandeling de injectiemethode genoemd,
en verplicht gesteld in 1994, is
het schrijnendste voorbeeld. Het
lijkt logisch: als je drijfmest meteen
in de grond brengt, krijg je minder stank,
minder ammoniak in de lucht. Maar
wat er in die bodem onder de grond
wordt aangericht, waar stinkende gier
in een zuurstofarm milieu gaat rotten in
plaats van rijpen, daar hebben we ons
nooit zo mee bezig gehouden. Je kunt
het wèl zien. Als er geïnjecteerd wordt
barst het achter de machine van de meeuwen.
Want de wormen stikken de moord en
vluchten in doodsnood naar boven.
Smakelijke meeuwenhapjes.
Goede
mest stinkt niet
Ondanks dikke rapporten dat mestinjectie lang
niet de beoogde 80% reductie van
ammoniakemissie heeft opgeleverd, is
de methode tien jaar later nog
steeds verplicht. Tot
schade van de wormenpopulatie.
Maar zomaar een
beetje bovengronds uitrijden
deugt natuurlijk ook
niet. Dat kan alleen als de mest
deugt. Verbetering
van de mest, daar gaat
het om. En dat kan alleen in
een bedrijfsvoering die daar helemaal op
is ingericht: Dat begint met structuurrijk
en eiwitarmer voer. Daardoor wordt de
verhouding tussen koolstof en stikstof in
de mest –de C/N verhouding- gunstiger. De
mest bevat dan minder vluchtige ammoniak,
(goede mest stinkt niet !) regenwormen
vinden dat prettig, vermenigvuldigen zich, de bodem krijgt een betere
mineralenhuishouding. De bovenste laag wordt luchtiger en veerkrachtig.
Het gras groeit beter en is voedzamer.
Daardoor is minder kunstmest en hardvoer
nodig. Wat blijkt? Het ureumgetal in
de melk wordt lager. Bij sommige boeren
zelfs onder de 20. Dat is spectaculair
laag! Ook de zuurgraad van de mest
is belangrijk om vervluchtiging van
ammoniakgas te verminderen. Het
voerspoor wijst de weg. De koeien
blijken baat te hebben bij een
eiwit arm, zuurder en structuurrijker rantsoen.
Ze voelen zich lekkerder, gaan langer
mee. Geven wat minder liters melk,
maar met hoger eiwitgehalte en dus
een beter rendement. In twee opzichten: Zowel
economisch als ecologisch. Het lijkt
te simpel om waar te zijn. Schoon boeren
blijkt rendabel. Dat was ook de kop
boven een Volkskrantartikel na afloop
van het Vel & Vanla project in
Friesland.
Bovengronds
mag niet
Een gezond bodemleven, waar een
hoge benutting is van mineralen
(vooral stikstofverbindingen) is
essentieel. Dus zijn er boeren die
hun bodemleven niet willen
aantasten door middel van
zodebemesting. Die de mest willen
brengen waar die hoort: fijn verdeeld op
het gras en niet er tussen of eronder. Zij
kiezen daarom voor bovengronds uitrijden.
Maar dat mag dus niet. Toch zijn er
steeds meer boeren die het doen. Ze
steken hun nek uit omdat ze zeker
weten dat ze het goed doen en nog beter
kunnen. Ze willen een dikke, stevige zode
en het leven in de bodem is hun bondgenoot.
Ze willen niet met zware machines
de slappe veenbodem samenpersen. Het
zijn boeren die bezig zijn met een
gezond bodem-plant-dier systeem. Heilzaam
voor het bedrijf en een zegen voor
libellen, dotters, grutto’s en kieviten. Deze
boeren worden ten onrechte gecriminaliseerd.
Maar ze rijden met recht en reden
bovengronds drijfmest uit van goede
kwaliteit. Ze wijzen de weg naar
een gezonde melkveehouderij. Deze
boeren krijgen steeds meer van de wetenschap
het gelijk aan hun kant. En misschien
binnenkort ook van de politiek. Het
wordt tijd.
Tweede
tak wordt eerste tak
In de discussies over het Groene Hart speelt
efficiënter en gezonder boeren zelden
een rol. De boodschap is altijd maar
weer: groene diensten en tweede takken
en ondertussen zijn er steeds minder jongens
en meisjes die durven beginnen aan
een éérste tak. Maar een boer die
slecht boert met melk, en beter boert met
bed and breakfast of kanoverhuur, is gauw
klaar met boeren. Zijn tweede tak wordt
zijn eerste. Inkomensverbetering via
groene diensten zijn schijnoplossingen als
het primaire inkomen van de boer er
niet structureel op vooruit gaat. En
van agrotoerisme wordt het landschap bepaald
niet mooier en de natuur echt niet
rijker.
Tot
slot
Verbetering van inkomen uit de eerste tak.
Daar gaat het om. Dat is niet makkelijk, maar
het kan. Er is steeds meer belangstelling
voor boerenproducten. Zes miljoen
randstadbewoners krijgen meer
belangstelling voor de kwaliteit van hun
eten. Vers en lekker zijn belangrijke criteria
aan het worden. Slow food is de reactie
op fastfood. En over de veiligheid van
levensmiddelen uit verre landen is het
laatste woord nog niet gezegd. Steeds
meer restaurants willen mooie, eerlijke,
hoogkwalitatieve ingrediënten verwerken.
Supermarkten verkopen al geen
legbatterij eieren meer. Wij willen ze kennelijk
niet. De macht van de consument. Die
macht kunnen we meer mobiliseren, denk
ik. In de Randstad zijn inmiddels
zo’n 18 Groene Hart Landwinkels.
De groei en bloei van die
boerderijwinkels is een belangrijk
signaal. Boeren verzinnen nieuwe
lekkernijen. Roodschimmelkaas Petit
Doruvael komt uit Montfoort. Blauwe
Klaver, een zachte blauwschimmelkaas, uit
Harmelen. In Snelrewaard maken ze
geitenkaas. In Zegveld verkopen ze
prachtig, smakelijk roze kalfsvlees en
schapenkaas is de nieuwste aanwinst in
de Meije. En vergeet die gezellige wekelijkse
streekmarkt in Woerden niet.
Streekproducten geven een gebied kracht
en identiteit. Luilekkerland ligt in je
achtertuin. Zonder boeren die
boeren wordt het niks. Het
landschap is de bonus. Gedenk de
regenworm. Het is een bedreigde
diersoort, net als de boer.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
Niet
genoeg
Deze column verscheen
eerder in ‘PLATTELAND’ nr 4, 2004
Het
is niet genoeg om te zeggen dat boeren de beste beheerders zijn van het
landschap. Dat boeren de enigen zijn die het aloude cultuurlandschap
kunnen redden en dat Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer zich geen raad
zullen weten met het beheren van de aan hun toevertrouwde terreinen als
er straks geen boeren meer zijn.
Het
is niet genoeg om te praten
over groene en blauwe diensten, verbreding, vertakking, agrotoerisme en
zorgboerderijen. Het slaat allemaal nergens op als de zogenaamde
realisten gelijk krijgen.
Je
vindt de realisten in de politiek, je vindt ze
onder gewone mensen en je vindt ze zelfs onder boeren.
Ze
zeggen: wees reëel. De uittocht van boeren is niet tegen te
houden. Ze kunnen in dit overvolle zompige land niet concurreren, ze
kunnen beter
500 km
verderop gaan boeren. Wij hebben het niet nodig dat uitgerekend hier
voedsel wordt geproduceerd. Er is eten zat op de wereld en
transportmogelijkheden te over. Hou op met dat nostalgische gedoe en
zorg dat je tijdig en verstandig aan landinrichting doet om verrommeling
te voorkomen. Het lijken realisten. Ik noem ze fatalisten.
Het
is waar: wij hoeven geen honger te hebben als er in het veenweidegebied
van de randstad geen voedsel meer wordt geproduceerd, de supermarkten
zullen geen lege schappen hebben. Maar
is het ook waar dat voedsel dat van
ver komt en op grootschalige bedrijven is geproduceerd, altijd
goedkoper zal zijn dan voedsel uit de regio? Is dat nog zo als de
energie steeds duurder wordt?
Dat
controle op de teelt van voedsel van ver weg net zo goed zou zijn als
controle op voedsel uit onze omgeving is een illusie. Dat dichtbij en
kleinschalig verbouwd voedsel per definitie duurder is, is een
vooroordeel. Dat levend vlees niet meer door half Europa zou moeten
worden versleept begint zo
langzamerhand door te dringen, maar dat dat ook voor dood vlees geldt,
daarvan is nog niet iedereen doordrongen. Dat zogenaamd vers vlees
tijdenlang ingevroren is geweest…Dat stunten met melk over de ruggen
gaat van de Nederlandse boer … Dat kippenvlees soms volgepompt zit met
water en dáárom goedkoop is…
Maar,
zal menigeen zeggen: de consument is toch de baas en toen die geen
legbatterij eieren meer wou, verkocht de grootgrutter ze niet meer. Ja,
daar bleek de consument ineens macht te hebben . Maar het is niet
genoeg.
Een
goede politicus ziet in dat het niet genoeg is om te pleiten voor beter
inkomen van een boerenstand die op het punt staat gedecimeerd te worden.
Een goede politicus zet zich in voor de volgende generatie boeren. Want
die is er. Nou en of. Ondanks de cijfers over boeren die het zinkende
schip verlaten. Er zijn nog steeds jongens en meisjes die niets liever
willen dan het bedrijf van hun voorouders voortzetten. Maar er zijn veel
boeren die dat hun puberkinderen afraden. En zo krijgen de fatalisten
gelijk als de politiek niet snel wakker wordt.
Er
is een mooi boekje verschenen met de veelbetekenende titel:
“Boerendiversiteit voor Biodiversiteit” *) waarin de biologische
rijkdom wordt getoond van een ouderwetse en toch vernieuwende manier van
boeren. Daarin ontvouwt een
boerenzoon een plan voor een natuurboerderij in het veenweidegebied. In
dat soort creativiteit liggen de beste kansen. Wakker worden dames en
heren! Je hebt onder boeren goeie en slechte, net als onder politici en
andere mensen. Koester de
goeie en geef ze genoeg reden om het nog een generatie aan te durven.
Bram van der Vlugt
*)
E.J. Weeda: Boerendiversiteit voor biodiversiteit, Alterra rapport 973,
Wageningen 2004
terug
naar boven ^
De
berg
Deze column verscheen
eerder in ‘PLATTELAND’ nr 3, 6 juni 2004
Vraag
een oude boer naar de hooibouw en hij krijgt meteen glimmertjes in zijn
ogen. Tegenwoordig is er niet veel hooibouw meer. Gras wordt gekuild.
Dat is makkelijker en minder afhankelijk van het weer. En àls er nog
gehooid wordt dan wordt het geperst. Maar los hooi bouwen in de berg,
dat was nog es wat. Dat was spannend,
risico’s nemen, hard
werken, alle hens aan dek. “Je keek naar de lucht,
naar de wolken, naar de vogels. Wat gaan we doen, want eraf is
eraf.” Als het weer je
een streek leverde dan had je problemen met de wintervoorraad, maar als
het lukte, was je spekkoper. Een
mooie volle berg met geurig hooi ‘waar de zon nog in zat’ was een
rijk bezit. De hooibouw zat vol logica en tradities die gestoeld waren
op gezond verstand. Om te beginnen al de plaats van de berg. Vlak bij de
plek waar gevoerd moest
worden: achter de stal. Niet op de wind, maar wel zo dat de wind er door
kon. In de berg was tegen optrekkend vocht een vloer gelegd van takken
uit het geriefbosje.
Het
hooi werd opgestoken. Dat ging trapsgewijs. Een zweterig karwei. Hoe
hoger hoe zwaarder. De zijkanten werden later met de hand geplukt. Tegen
verwaaien en inregenen. Het was natuurlijk ook een knap gezicht.“Dan
was ie zo strak als een pas geschoren
schaap”.
Maar
dan: hoe kreeg je ’s winters je kostelijke voer weer beneden? Boven in
de volle berg aan de stalkant groef de boer een rond gat. Het haaggat.
Hij stak het hooi af met de graaf. De hooigraaf. Een
smeedijzeren spa met aangelaste voetsteun. Zo groef de boer zich naar
onderen. Maar niet helemaal. Op ooghoogte boog hij af naar buiten. Een
precies en verantwoordelijk werkje.
Het afgestoken hooi moest weer omhoog het gat uit. Bovenop stond
de man met de haak. De hooihaak. Met die haak trok hij het
uitgegraven hooi omhoog.
Wie weet nog wat
een graaf is of een hooihaak? Op veel oude boerderijen zijn ze er nog,
want een boer doet nooit wat weg. Pas als er boelhuis is, komen de
spulletjes te koop en dat is een treurige aangelegenheid. Al lijkt een
boelhuis vaak op een kermis.
We
kregen van Jan een mooie oude graaf. En we hebben ook nog een heeft. Die
hoort bij onze zeshoekige, met riet gedekte hooiberg. Het is een houten
lier om de kap van de
berg omhoog en omlaag te krijgen. De berg heeft verticale roeden en
horizontale lanen waar de kap op rust. Heeft komt van heffen. Dus de
heeft heft vlak naast een roede de laan een stukje op en dan kan de pen
een gaatje hoger in de roede. En zo ga je de hele berg om. Roede voor
roede, gaatje voor gaatje. “Ach
ach ach,” verzuchtte de oude boer, “wat heb ik hier toch
gezweten” en tegelijk kreeg hij ook weer de glimmertjes in zijn
ogen.
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
Tureluurs
Deze
column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 2.
april 2004
“Daar word ik
nou helemaal tureluurs van,”
zei mijn zoon toen hij in de krant las dat nieuw onderzoek heeft
aangetoond dat agrarisch natuurbeheer niet leidt tot meer weidevogels.
Nou ja, nieuw onderzoek: drie jaar geleden publiceerde de Wageningse
hoogleraar Frank Berendse de resultaten van een onderzoek waaruit bleek
dat agrarisch natuurbeheer zinloos was. Hij kreeg toen weinig handen op
elkaar voor zijn verhaal. Dus heeft hij nu nieuw onderzoek gedaan en ja
hoor: de uitkomsten zijn dezelfde. Het beschermen van weidevogels door
boeren kost alleen maar geld en levert niks op. Wat doen die boeren? Ze
maaien later om gruttonesten te ontzien, maar dat is nou juist nadelig
voor kieviten en tureluurs want die houden van kort gras. “Die willen
graag om zich heen kijken”, zegt Berendse. En de gruttostand wordt ook
niet beter. Dus: agrarisch natuurbeheer is weggegooid geld.
Het zou goed zijn
als ook Frank Berendse wat beter om zich heen keek. Hij vertelt maar de
helft van het verhaal.
Dat
kieviten van kort gras houden, dat is waar. En elk jaar hebben ze dat in
het voorjaar in overvloed. De
grutto houdt van langer gras. Vrijwilligers zoeken de nesten op,
markeren ze en de boer maait er om heen of hij maait helemaal nog niet.
Waarom neemt de gruttostand dan niet toe op boerenland? Misschien wel
doordat diezelfde boeren veel beter bezig zijn dan een jaar of tien
geleden. Ze strooien veel minder kunstmest, ze zijn zuinig op
slootkanten en op waterkwaliteit, ze hebben veel gevarieerdere
bedrijfsvoering (duurzamer heet dat) en door dat alles is het milieu er
behoorlijk op vooruit gegaan. En wie profiteren daarvan? Precies: de
dieren aan het eind van de voedselketen: de roofdieren. Dat vinden we
machtig mooi. Meer sperwers, buizerds, valken.
Ooievaars worden gekweekt en beschermd. En vergeet de vossen
niet. De vos heeft geen natuurlijke vijand en begint een plaag te
worden. Reintje is dol op grutto’s. En mag maar heel beperkt worden
bejaagd. Dus soms is er wel es een enkele boer die in een stikdonkere
nacht met z’n buks een vosje verschalkt om nog iets van zijn goede
bedoelingen met weidevogels te kunnen realiseren. En wat dacht U van de
predatie (dat is de deftige naam voor vernieling) van weidevogelnesten
door kraaien en eksters. Mogen kraaien eigenlijk worden afgeschoten? Ik
vrees van niet. Net zo min als Wageningse onderzoekers die onderzoek
doen waarvan de uitkomst van te voren vaststaat.
Gelukkig
heeft de Minister van LNV –ook een Wageninger- meer vertrouwen in
agrarisch natuurbeheer en als het aan hem ligt wordt er nog een centje
meer aan uitgegeven. Het zou mooi zijn als er naast de Ecologische Hoofd
Structuur ook een Agrarische
Hoofd Structuur zou ontstaan. Grote aaneengesloten gebieden waar op een
ouderwetse, moderne manier wordt geboerd. Waar voedselproductie en
natuurbeheer vanzelfsprekend bij elkaar horen. Net als vroeger. En waar
Professor Berendse dan de overtollige roofdieren mag komen afschieten.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
Eigenbelang
Deze column verscheen eerder in
‘PLATTELAND’, voorjaar 2004
Op
de tv hoorde ik een opgewonden en bezwete Bennie Jolink roepen:
“Wie nu nog boer is in Nederland, die heeft lef! Dat is
een man met kop en klote!”
Het publiek joelde. Waarschijnlijk waren ze het met hem eens.
Elke
dag elf boeren minder in dit land. En we moeten toch elke dag eten.
Ze zeggen dat er vier miljoen
Nederlanders lid zijn van een milieuorganisatie. Er komen ook
steeds meer Vrienden van het Platteland bij. En toch zijn wij met z’n
allen niet in staat om onze eigen voedselproductie te beschermen. Kunnen
we niet of willen we niet? We schreeuwen moord en brand als er natuur of
landschap verloren gaat, we willen rust, ruimte en recreatie, maar we
realiseren ons niet dat we Nederlandse melk moeten drinken als we
willen blijven wandelen in het Groene Hart. Maar zo simpel is het
wel. Het is puur eigenbelang.
We
doen het zelf. Wij zijn bijna geen van allen aan de bedelstaf, nog niet,
we kopen ook bijna geen van allen zó groot in, dat een paar centen
verschil per eenheid echt verschil maakt in de portemonnee, we zijn
gewoon slordig. Wij hoeven ons het lot van de boeren natuurlijk niet aan
te trekken. Maar toch wel ons eigen lot. Dat van ons leefklimaat, van
onze omgeving, ons milieu. Van ons voedsel en onze gezondheid. Maar doen
we dat ook?
Het
is de melkdrinkende, toetjessnoepende, kaasschavende, vleesetende
consument die de Nederlandse melkveehouderij op de been kan houden.
Ik
zag een bevriende plattelandsbestuurder achteloos een pak Zaanse Hoeve
stuntmelk in zijn karretje laden. Hij wist natuurlijk best dat stunten
met melk over de rug van de boeren gaat, maar dacht niet na. 47 cent in
plaats van 62 cent. En hij wisselde op mijn verzoek (ik bleef aardig,
hoop ik) het pak makkelijk om voor melk die 15 cent meer kostte. Armer
is hij er niet van geworden.
Minister
Veerman zei in een interview: “Als
de consument zegt: ‘ik koop wat ik wil daar heb jij niks mee te
maken’ dan zeg ik, dat is waar. Maar dan stellen we vast dat we met
z’n allen mooie praatjes houden en dat ons gedrag daarmee in
tegenspraak is. En dan houden we er dus ook voor altijd over op.”
Ik leun over een
landhek en kijk uit over de Meijegraslanden die eigendom zijn van
Natuurmonumenten. En ik vraag me af of natuurbeschermers, die tenslotte
ook consumenten zijn en bij uitstek bewuste burgers, wel genoeg doen om
onze melkveehouderij voor de toekomst te behouden. Wat doen ze in dit
opzicht meer dan dat ze de boeren die er nog zijn, hun graslanden laten
beheren? Ze versnoepen als ze niet oppassen de laatste generatie
melkboeren en zitten over een paar jaar met de handen in het haar. Je
zou verwachten dat ze wat actiever waren in het stimuleren van
boerenzonen en –dochters om boer te blijven. Zoals je dubbeldoel
koeien hebt, heb je ook
dubbeldoel boeren. Die in staat zijn om dubbel duurzaam te werken.
Ecologisch duurzaam èn economisch duurzaam. Ze zijn er nog en
Natuurmonumenten heeft de grond. Als echt bewuste burgers en
grootgrondbezitters in dat kwetsbare Groene Hart van de
Randstad zouden ze bij Natuurmonumenten
wat verder moeten kijken dan één generatie.
Uit
eigenbelang.
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
Over verwend zijn en
verwend worden
Ik kocht een tartaartje in de
supermarkt en bakte die op hoog vuur zoals het hoort. Eerst verbaasde ik
me er al over dat het ding in de pan tot de helft verschrompelde, maar
toen ie mooi bruin was en ik op mijn bord er met mijn vork in prikte,
ontplofte ie zowat en het water spoot omhoog. Goedkoop tartaartje. Meer
dan de helft water. Op de TV zag ik dat de supermarktoorlog nu ook met
vlees wordt gevoerd. Goedkoop vlees, ja, maar hoe komt het zo goedkoop.
Dat het vlees is, kan je zien, maar wat voor vlees het is, daar moet je
naar raden.
Ik moest daaraan denken toen ik in Vrij
Nederland ik een artikel over Eerstelingen las. Een bijzondere
aardappel, die volgens de auteur dezelfde is als de Langendijker of
Andijker Muis. "De terugkeer van de aandachtige
aardappeleter". Het gaat over aardappelsoorten, vergeten rassen,
over smaak, het gaat ook over de onverschilligheid van de consument voor
de kwaliteit van het voedsel. "Onverschilligheid is de zekerste
manier om de Eersteling te laten uitsterven", staat er geschreven.
Aan het woord komt een groentespecialist die zich wil onderscheiden door
in alles de beste te zijn. Hij zegt: "Het komt terug, de interesse
voor smaak, het leeft allemaal nog veel meer als je kunt zeggen waar je
het vandaan hebt." En aan het slot de verzuchting: "Ik moet
natuurlijk niet de enige zijn die in de smaak van het seizoen en van de
streek gelooft. Veel oudere groenteboeren gaan hun tijd uitzitten, dan
straalt ons vak niet meer."
Daar moest ik aan denken, toen ik een
beschuitje smeerde met zelfgemaakte jam van eigen aardbeien. Er wordt
vaak gezegd dat de consument onverschillig is en verwend. Maar hij kan
makkelijk veranderen in een consument die slim is en zichzelf verwent.
Met een beetje aandacht. Bram van
der Vlugt
terug
naar boven ^
Hoe
houden we die boeren dan aan het boeren?
Dit artikel verscheen eerder in 'Spil', november 2003
Niet
zo lang geleden zeilde ik op het IJsselmeer. Op een Volendammer kwak.
Dat is een ouwe eiken vissersboot. Overgebleven van de vissersvloot van
de voormalige Zuiderzee. Tijdens die zeiltocht, waarbij we verschillende
havens aandeden, realiseerde ik me wat de gevolgen zijn geweest van de
aanleg van de afsluitdijk. De zegenrijke Afsluitdijk, die Friesland
ontsloot, die het zoute water buiten de landsgrenzen hield, veranderde
de Zuiderzee tot binnenmeer en daarmee ging een wereld van eeuwenoude
cultuur verloren. Niet meer en niet minder. De hele kust vanaf Wieringen,
langs Enkhuizen, Volendam via Spakenburg tot in Friesland toe was zijn
bestaansrecht kwijt: de zeevisserij. En met de nering verdween het
karakter en de basis onder het bestaan. Want niet alleen de visserij
verdween, ook allerlei handel en ambachten die van oudsher van de
visserij zijn afgeleid. Scheepsbouw, touwslagerij. Overlevingsdrang
leidde natuurlijk tot nieuwe bronnen van inkomsten, waarvan vele met een
museaal of recreatief karakter. De kracht van min of meer geïsoleerde
dorpsgemeenschappen leidde tot behoud van wat karakteristieke
eigenschappen zoals architectuur, klederdrachten en folklore. Maar één
verschijnsel was onheilspellend en niet te keren: de jeugd trok weg. En
daarmee veel vitaliteit en energie.
Er
is veel aan de hand op het platteland. Het platteland is weer een factor
van betekenis in de samenleving. Iedereen bemoeit zich ermee.
Landinrichting is een toverwoord. Plattelandsvernieuwing
heeft toekomst. Net als de afsluitdijk destijds. Dertien jaar
geleden werd de Ecologische Hoofd Structuur uitgevonden. Een zegen voor
de natuur. Maar sindsdien is er ruzie. Want natuurontwikkeling staat op
gespannen voet met boerenactiviteit. Is dat terecht? Het is niet zo gek,
als je bedenkt dat dertien jaar geleden de boeren te boek stonden als
viespeuken. Logisch. De boer was een product van de naoorlogse ratrace
naar steeds meer produceren voor steeds minder geld. Schaalvergroting,
ligboxenstallen, gierkelders en
melkputten, vette leningen van de boerenleenbank, en vooral: steeds meer
kunstmest. Het naoorlogse motto was: nooit meer honger. Het
Plan Mansholt was in de jaren vijftig
een briljante revolutie tot heil van boer en voedselproductie. En
het is waar: de boer werd er veel beter van en het leidde tot een
melkplas en een boterberg van heb ik jou daar. Dus kwamen er melkquota,
superheffingen en tenslotte spijtbetuigingen van de oude Mansholt zelf.
Maar inmiddels was de boer de vijand van
de natuur geworden en natuurorganisaties de vijand van de boer.
Benutting van mineralen, voor de oorlog nog ruim boven de 50%, waren
door overvloedig kunstmestgebruik en korte-termijn-denken dramatisch
teruggelopen tot minder dan 15%.
Al
die niet benutte mineralen kwamen dus in het milieu terecht. De
oplossing lag voor de hand: hoe meer ecologische hoofdstructuur en hoe
meer Nieuwe Natuur –het toverwoord van de jaren 90- hoe minder boeren,
dus hoe minder vervuiling. Net zo makkelijk. De ontmoedigende, steeds
strakkere regelgeving heeft veel boeren ertoe gebracht om hun kinderen
af te raden om door te ploeteren als koeieboer in kikkerland. Boeren kan
je beter in Denemarken, echt ondernemen kan je beter in een ander vak.
De
vergelijking met de Zuiderzeehavens aan het IJsselmeer dringt zich op.
Het
Veenweidegebied in het Groene Hart is uniek in heel Europa. Om zijn
maat, zijn verkaveling, zijn cultuurhistorie. Bedreigd door
verstedelijking en volgens de natuurlobby verpest door de boeren. Boeren
die gifgroene biljartlakens wilden waar geen bloemetje mocht staan als
er ook gras kon groeien, waar geen bosje mocht blijven als daar weiland
kon zijn. Viespeuken. Maar dan hebben we het nu over een verouderde
manier van boeren. Wat weer heel iets anders is dan een ouderwetse
manier van boeren. Dit verhaal zal gaan over een ouderwetse manier van
boeren met moderne middelen. Nieuwe landbouw met het boerenverstand van
eeuwen her. Dit verhaal zal gaan over de regenworm.
Drie
jaar geleden viel het nog
op als je suggereerde dat de boer van ouds her toch de beste
beheerder is van het landschap en de ziel van het platteland. Nu is dat
al ouwe koek. Ontwikkelingen gaan snel. De boer krijgt eerherstel.
Hij mag weer trots zijn op zijn zegenrijke arbeid. Wederzijds
wantrouwen tussen natuurbeheerders en boeren neemt af. En terecht. Want
niet alleen vindt bij natuurorganisaties een omslag in het denken
plaats, er zijn ook spectaculaire ontwikkelingen gaande
in boerenland. Maar de inkomenspositie van
melkveehouders wordt alleen maar slechter.
Er
wordt heel wat gediscussieerd, geïnventariseerd, onderzocht,
gerapporteerd. Ieder gesprek tussen meer dan drie personen heet al gauw
een congres, conferentie of symposium. In de discussies worden veel
toverwoorden gebruikt. Groene Diensten, Verbreding, Tweede tak,
Agrotoerisme.
Ik
heb het bange vermoeden dat alle tweede takken, verbredingen en
groene diensten schijnoplossingen zijn als niet primair het
inkomen van de boer als boer er structureel op vooruit gaat.
Hoe
houden we die boeren dan aan het boeren?
Als
de omstandigheden in het veen midden in de drukbevolkte Randstad zo zijn
dat de kostprijs van melk hoger ligt dan elders, dan moet je het
produceren van melk vooral niet gaan degraderen tot nevenactiviteit,
want dan ben je binnen één generatie al
je boeren kwijt. Het is dom en kortzichtig om dan maar te
concluderen dat boeren hier niet nodig is. Het is dom en kortzichtig om
te stellen dat die dure, schaarse grond
nuttiger en efficiënter kan worden gebruikt. Het is vooral dom
en kortzichtig om voor je voedselvoorziening helemaal afhankelijk te
worden van het buitenland. Dat is bovendien milieu onvriendelijk en
getuigt van weinig historisch besef.
En
zo komen we vanzelf op de regenworm als de sleutel voor een ecologisch-
èn economisch duurzaam landelijk gebied. Voor een rijke boerennatuur,
voor een flora en fauna waar ze bij Natuurmonumenten U tegen zeggen; de
regenworm als wegwijzer naar een betere economische positie van de
melkveehouderij. Dat is nogal wat voor een wormpje.
Eigenlijk
is het in de melkveehouderij misgegaan met de komst van ligboxenstal en
gierkelders. Vroeger had je grupstallen en potstallen en dan kreeg je
ruige stromest. Dat was het goud van de boer. Ruige mest en bagger: de
beste vrienden voor het groeien van mooi, voedzaam gras en voor
vruchtbaar land. Het woord mestoverschot stond nog niet in Van Dale. Met
de gierkelders kwam het fenomeen drijfmest. Vanaf dat moment werd mest
vooral een afvalproduct. En
de vraag werd: Hoe kom ik van die stinkende, ammoniakrijke, vervuilende,
giftige rommel af? Spuiten maar. Ammoniak dampen stinken een uur in de
wind en maar weinig stikstof wordt op die manier opgenomen door de
bodem. Dus moest je wel veel kunstmest gaan gebruiken, dat is
logisch. Want het gras moest groeien en we wilden meer melk per koe.
Door de ligboxenstallen hadden we ineens een mestprobleem en een groot
milieuprobleem.
Bij
alle verbeteringen in de mineralen huishouding die sindsdien op de
boerderij hebben
plaatsgevonden is één aspect stelselmatig onderbelicht gebleven: de
vitaliteit van het bodemleven èn het belang van dikke vette
regenwormen. Zodebemesting,
in de wandeling de injectiemethode genoemd, verplicht gesteld in 1994,
is daar het schrijnendste voorbeeld van. Het lijkt zo logisch: als je
drijfmest meteen in de grond brengt, krijg je minder verdamping,
minder stank en minder verlies. Maar wat er in die bodem
onder de grond wordt aangericht, waar stinkende gier in een
zuurstofarm milieu gaat rotten in plaats van rijpen, daar hebben we ons
nooit zo mee bezig gehouden. Je kunt het wèl zien. Als er geïnjecteerd
wordt barst het achter de machine van de meeuwen. Want de wormen stikken
de moord en vluchten in doodsnood naar boven. Smakelijke meeuwenhapjes.
Ondanks
dikke rapporten dat mestinjectie lang niet de beoogde 80% reductie van
ammoniakemissie heeft opgeleverd, is de methode negen jaar later nog
steeds de enige die is toegestaan. Maar
bovengronds uitrijden zonder meer deugt natuurlijk ook niet. Dat is
alleen verantwoord als onderdeel van een bedrijfsvoering die integraal
daarop is ingericht: Een bedrijfsvoering die begint met
structuurrijk en eiwitarmer voer. Daardoor wordt de verhouding
tussen koolstof en stikstof in de mest –de C/N verhouding- gunstiger.
De mest bevat dan minder vluchtige ammoniak, (goede mest stinkt
niet !) De regenwormen vinden dat prettig, vermenigvuldigen zich,
daardoor krijgt de bodem een betere mineralenhuishouding. De bovenste
laag wordt luchtiger en veerkrachtig. Het gras groeit beter en is
voedzamer, waardoor veel minder kunstmest
en hardvoer nodig is. Wat blijkt? Het ureumgetal in de melk wordt
lager. Bij sommige boeren zelfs onder de 20. Dat is spectaculair! De
koeien gaan wat minder liters geven. Ze worden niet meer opgejaagd tot
meer dan
10.000 kg
per jaar. Ze voelen zich lekkerder, gaan langer mee. Dat betekent met
minder liters een beter rendemen. Economisch èn ecologisch. Wie wil dat
niet. Het lijkt te simpel om waar te zijn. Maar ik heb het gezien. Bij
sommige boeren bij ons in het Westen, bij het Vel&Vanla project in
Friesland. Bij Koeien en Kansen zijn vergelijkbare resultaten.
In
het veen hoort daar wel bovengronds uitrijden bij. Oei. Dat mag dus
niet. Toch zijn er steeds meer boeren die het doen. Ze steken hun nek
uit omdat ze zeker weten dat ze het goed doen en nog beter kunnen. Ze
willen dikke, stevige zoden, ze willen hun grasmat sparen en het leven
in de bodem is hun bondgenoot. Ze willen niet met die zware injecteurs
de slappe bodem samenpersen. Het zijn boeren die bezig zijn met een
gezond bodem-plant-dier systeem. Heilzaam voor het bedrijf en een zegen
voor libellen, dotters, grutto’s en de grauwe kiekendief. Maar de
overheid is daar nog niet aan toe. Deze boeren worden
ten onrechte gecriminaliseerd hoewel ze met recht en reden
bovengronds emissiearm drijfmest uitrijden. Ze wijzen een weg naar een
gezonde melkveehouderij. De
rechterlijke macht (toch per definitie conservatief) blijkt dan
progressiever te zijn dan de wetgever. Want de rechter zegt keer op keer
tegen deze boeren: U bent strafbaar, maar ik leg U
geen straf op want U doet het beter dan de wet voorschrijft. Gaat
heen in vrede.
Deze
boeren krijgen steeds meer vanuit de wetenschap het gelijk aan hun kant.
En misschien binnenkort ook van de politiek. Het wordt tijd.
Waarom
ga ik hier zo uitgebreid op in? Niet omdat het de enige en ultieme
oplossing zou zijn voor alle problemen in de melkveehouderij, maar omdat
de strategie van efficiënter en gezonder boeren in de discussies over
het Groene Hart zelden een rol speelt. De boodschap is altijd maar weer:
groene diensten, agrotoerisme, tweede tak, en ondertussen zijn er steeds
minder jongens en meisjes die durven beginnen aan een éérste tak. Maar
een boer die slecht boert met melk, en beter boert met bed and breakfast
of kanoverhuur, die is gauw klaar met boeren en zijn
tweede tak wordt zijn
eerste. En dat bedoel ik met schijnoplossingen. Want van agrotoerisme
wordt het landschap echt niet mooier en de natuur niet rijker.
Verbetering
van inkomen uit de eerste tak. Daar gaat het om. En dat kan. Er is
steeds meer belangstelling voor boerenproducten.
Ik las ergens: je moet produceren waar de monden zijn. En zo is
het. Zes miljoen randstadbewoners krijgen steeds meer belangstelling
voor de kwaliteit van hun eten. Vers en lekker zijn belangrijke criteria
aan het worden. Slow food is de reactie op junk food. En over de
veiligheid van levensmiddelen uit verre landen is
het laatste woord nog niet gezegd.
Er
is een duidelijke trend in restaurants om mooie, eerlijke,
hoogkwalitatieve ingrediënten te verwerken. Supermarkten verkopen
binnenkort geen legbatterij eieren meer. Waarom niet? Wij kopen ze
kennelijk niet. De macht van de consument. Die macht kunnen we meer
mobiliseren, denk ik.
In
de Randstad zijn inmiddels zo’n 20 Groene Hart Landwinkels. De groei
en bloei van die boerderijwinkels is een belangrijk signaal. Boeren
verzinnen nieuwe lekkernijen. Roodschimmelkaas Petit Doruvael komt uit
Montfoort; Blauwe Klaver, een zachte blauwschimmelkaas, uit Harmelen. In
Snelrewaard maken ze geitenkaas. In Zegveld verkopen ze
prachtig, smakelijk roze kalfsvlees van loslopende stiertjes en
schapenkaas is de nieuwste aanwinst in de Meije. In Woerden is al
maanden een wekelijkse streekmarkt op zaterdag. Groot succes.
Streekproducten
geven het gebied kracht en identiteit. Daar moet je ook weer niet al te
fundamentalistisch in zijn: een kiwi uit Nieuw Zeeland kan heerlijk
smaken, maar een Argentijnse biefstuk misschien wat minder.
Hoe dan ook: Luilekkerland ligt in je achtertuin.
Er
is dus wel degelijk toekomst voor een nieuwe / ouderwetse
melkveehouderij in het veenweidegebied van het Groene Hart.
Twee
kansrijke pijlers: Respect voor de meest bedreigde diersoort, de
regenworm ter wille van een beter ecologisch en economisch resultaat
en meer productie en afzet van
kwalitatief hoogwaardige streekproducten. Het kan de redding zijn
voor eeuwenoude cultuur en is de beste garantie voor een rijke natuur.
De boer moet boeren. Daar gaat het om. Al dat andere moois waar we zo op
gesteld zijn komt dan…nou ja niet vanzelf. Dan is de beurt aan de
samenleving. Dan komen Groene Diensten, hectare vergoedingen,
groenfondsen in beeld. Heel belangrijk. Maar zonder boeren die boeren
wordt het niks.
Gras
& Wolken heeft een tekst van Koos van Zomeren als motto gekozen:
“Wat onvervangbaar is, kun je maar één keer verknoeien”. Ik voeg
er aan toe: “Wie onvervangbaar is, kun je maar één keer
kwijtraken.”
Want
ondertussen gaat de uittocht nog steeds door. Soms moeten we heel hard
roepen: tot hier en niet verder. En dat doe ik nu maar es in dit blad.
Gedenk de regenworm. Die wijst de weg.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
In
de ijskast
Deze column verscheen eerder in
‘PLATTELAND’ nr 4, 14 oktober 2003
“Power to the
pieper” roept het spandoek aan het begin van de markt ons toe vanaf de
aardappelkraam. Als U dit leest staat de streekmarkt in Woerden er al
bijna een half jaar. Elke zaterdag. En het is er hartstikke druk. Het is
er ook gezellig. Veel vaste klanten, jong en oud, en ook elke week weer
nieuwsgierige nieuwkomers. Ze komen uit de verre omtrek, want in de hele
Randstad bestaat zoiets nog niet. Woerden heeft de primeur. Uit
omliggende gemeenten komen ze de kunst afkijken, want zo’n
publiekstrekker willen ze allemaal wel.
In wezen is zo’n
markt natuurlijk opgezet om politiek-sociaal-economische redenen. Ja,
het klinkt wat zwaar, maar het gaat er tenslotte om dat boeren die trots
zijn op hun produkten, die gewaardeerd willen worden om hun vakmanschap
en die een fatsoenlijk inkomen willen verdienen, dat die boeren hun
kwaliteits-produkten ook in de regio willen verkopen. Niet alleen vanaf
de boerderijwinkel, nee ze willen naar de consumenten toe. Stad en land
moeten meer bij elkaar komen. Maar waar blijkt het in de praktijk
vooral om te gaan? Om de gezelligheid. En natuurlijk ook om lekker en om
vers en om niet te duur.
Er zijn wel vier
kaaskramen. Twee met koeienkaas, één met geiten- en één met
schapenkaas. Er is Zegvelds veenweide vlees, er zijn eieren, brood en
banket van de warme bakker. Groente en fruit van het seizoen, noten,
jam, sappen en chutneys. Bloemen en planten van kwekers uit de buurt.
Aardappels, biologische zuivel, het lekkerste roomijs dat ik ken en een
aantrekkelijke kraam met boeren tuingereedschap en klompen. Maar je kunt
er ook een broodje paling eten en crêpes gevuld met kaas of jam van de
markt. Je kunt er een krantje lezen met warme chocolademelk of een kop
soep. En ondertussen vermaken de kids zich in een variant van de IKEA
ballenbak: Een vierkant van strobalen met konijnen en hamsters. Er zijn
kippen met kuikens en soms is er een heel aaibaar kalf met van die mooie
lange wimpers.
In de folder van de
markt lees je dat het gaat om producten met een verhaal. Nou, dat merk
je. De standhouders –bijna allemaal zelf boeren en tuinders-
kletsen de blaren op hun tong.
Zoals Truus. Die
staat met rund- en kalfsvlees, maar verkoopt ook biest die ze zelf heeft
geweld. Dat ìs toch lekker.... “Dat smaakt naar vroeger”, zegt een
klant. Een ander vraagt naar de precieze kunst van het wellen. “Meteen
van het vuur zodra het op de lepel blijft liggen. Wel een houten lepel
natuurlijk, anders lukt het niet.”
Op een dag kwam een
man met een royale buik aan de kraam. “Heb je echt biest?” had ie
gevraagd. “Dat heb ik in geen jaren meer geproefd” Hij kocht een pot
en kwam de volgende week weer. Hij was er al vroeg. “Geef maar vier
liter” zei ie. “Zo” zei Truus “Smaakte het zo goed? Denk er wel
aan dat U ze in de ijskast bewaart”. De man lachte. “Dat gaat
allemaal in deze kast” en hij wreef wellustig over zijn buik. En na
een kleine dramatische pauze: “En in die van m’n vrouw.”
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
Mensen
en boeren
Deze column verscheen
eerder in ‘PLATTELAND’ nr 3 17 juli 2003
Je
hebt mensen en je hebt boeren. Vroeger woonden er alleen boeren op het
platteland, plus wat mensen die werden aangeduid als notabelen. Nu wonen
er steeds meer mensen en minder boeren. De mensen die er niet wonen,
gaan er in steeds grotere aantallen naar toe. Dat is mooi, dat geeft
grond aan een club als Vrienden van het Platteland. Maar elk voordeel
hep z’n nadeel, zoals U weet, en we moeten oppassen dat de mensen de
boeren niet op hun eigen land de wet gaan voorschrijven. Maar dat is een
verhaal apart, waar nog wel een paar stukjes over zijn te schrijven. Nu
even niet.
Ik
ben zo’n mens die op het
platteland woont. Tussen de boeren. Ik heb een beetje grasland en dus
een paar schapen. Laatst hebben mijn vrouw en ik de avond doorgebracht
in Amsterdam en toen we diep in de nacht thuis kwamen lag er een
verrassing op de mat. Een mysterieus briefje: “Het verloren
lammetje is nu [00:38] weer bij mammie. Hij/zij zat in de sloot bij de
tuin. Groeten Koen en Hugo.” Kan
je dan geen avond weg? Nee, kennelijk niet als je een lam in de wei hebt
lopen van nog geen drie weken oud. Iedere boer weet dat. Maar ik ben een
mens. Zodoende.
Na
een lange dag van graskuilen fietste Hugo, boerenzoon van 20,
om half twaalf eindelijk naar huis. In de berm van de weg hoorde
hij een lam mekkeren en aan de overkant van het water, in onze wei het
geblaat van de moeder. Wat te doen? Aanbellen. Die mensen zijn diep in
slaap, dacht Hugo, ze doen niet open. Terug naar de plek. De berm is
wild begroeid met manshoge brandnetels, Hugo had een korte broek aan,
straatverlichting is er niet, het is donker en het lam is zwart. Op
zo’n moment zou ik denken: Bekijk het maar. Het is mooi laat, ik ben
moe, ik heb niks gehoord en het is niet mìjn lam. Hugo niet. Hij fietst
naar huis. Maakt zijn 14 jarige broertje Koen wakker. Trekt een lange
broek aan, pakt een auto en rijdt terug. Koplampen op de berm, Koen aan
onze kant van de sloot met een zaklantaarn, lam gevangen en bij de
moeder teruggezet. Briefje gemaakt, klus geklaard. “Ach” zei hij de
volgende dag, “het was toch al laat en je kunt zo’n diertje toch
niet laten barsten. En jullie werden maar niet wakker….” Je hebt
mensen en je hebt boeren.
Dan
nog even over de huismus. Dat eens zo gewone vogeltje verdwijnt. Waarom?
Volgens de vogelbescherming omdat we niet meer van tafelkleden eten en
dus de kruimels niet meer uitslaan op het balkon. Het is waar: mussen
zijn dol op kruimels. Het
zit ‘m alleen niet in de tafelkleden. Het komt door het voorgesneden
brood. Een voorgesneden boterham kruimelt niet. Gemakzucht dus ten koste
van de mus. Wij snijden tegenwoordig ons brood weer zelf. En ik kan U
verzekeren, qua inspanning valt dat reuze mee. En ja hoor: lekker veel
kruimels op de plank en de huismus weer terug. Net zo makkelijk.
Een
boerin verderop, moeder van een groot gezin, snijdt ook zelf, maar om
een andere reden. “Mussen? die zijn er hier volop rond de boerderij.
Nee, dat voorgesneden brood kost veel meer beleg!
De sneden zijn te dun.” En zo is dit stukje weer terug waar het
begon.
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
Luilekkerland
Deze column verscheen eerder in 'Platteland'
nr 2 2003
Ik loop op een
zaterdagmorgen over de Noordermarkt in Amsterdam. Daar is elke week
biologische markt. Uit het hele land komen producenten met hun groente,
fruit, brood, boter, kaas en eieren naar de markt. Het is er druk en het
ruikt er lekker. Voor veel Amsterdammers zijn de zaterdagse marktinkopen
vaste prik. Mensen die door de week snel en makkelijk doen, maken in het
weekend vaker werk van lekker koken.
18 jaar geleden is
die markt begonnen. In het begin was het een kleine, beetje
wereldvreemde markt voor echte freaks. Een soort protest tegen
vervlakking, verrommeling en vervuiling, een pleidooi voor puur natuur.
De ecologische fruitteler kwam er zelf met een paar kistjes fruit van
het seizoen. Het succes van de markt leidde tot uitbreiding. Er is nu
prachtig brood, (wat ruikt dat lekker!) veel mooie kazen, vlees van
biologisch opgevoede schapen en geiten, fruit waar het water je van in
de mond loopt.. Ook paddestoelen, jam, chutney, kruiden. De fruitkweker
neemt in het voorjaar bloesemtakken mee en er zijn zelfgebakken taarten
en crêpes.
“Het lijkt hier wel
luilekkerland.” Hoor ik achter me.
Er is veel leed. De
wereld holt achteruit. Ik wil het er niet over hebben. Maar er zijn ook
positieve signalen. Als reactie op fastfood ( je mag geen junkfood meer
zeggen) is er een groeiende belangstelling voor …ja, waarvoor
eigenlijk? Voor zelf koken? Voor ouderwetse kwaliteit? Voor weten wat je
eet? Voor lekker en vers?
U woont in de
Randstad, U bent tussen de 18 en 88 jaar, van het mannelijk of
vrouwelijk geslacht, U heeft een gezin, of niet, U bent lid van
Natuurmonumenten en U bent Vriend van het Platteland. Of niet
natuurlijk. U bent zich bewust van de kwaliteit van het leven en U voelt
die kwaliteit elke dag tussen Uw vingers wegglippen. Dat geldt ook voor
Uw eten en drinken. Moet je dan streng zijn en consequent? Nee, je moet
vooral een beetje je gezonde verstand gebruiken.
Er is natuurlijk
niets mis als U een kiwi uit Nieuw Zeeland eet of geniet van een mooie
Roquefort. Er is ook niets mis met zo nu en dan een croquet uit de muur.
Maar als U es wist wat er allemaal voor lekkers groeit in Uw achtertuin!
Dat weet U wel, maar U zou misschien wat vaker kunnen kiezen voor vers
en lekker en veilig.
De Nederlandse boeren willen graag uw koelkast vullen. Boter,
kaas en eieren, appels, peren en pruimen komen uit het Groene Hart. Roze
kalfsvlees kan uit Zegveld komen, schapenkaas uit de Meije en geitenkaas
uit Snelrewaard. Blauwe kaas komt uit Harmelen,
Petit Doruvael is een roodschimmelkaas uit Montfoort. Twintig
Groene Hart Landwinkels verkopen hun eigen boerenkaas en nog veel meer
lekkers vanuit de boerderij. In Woerden komt er een wekelijkse
streekproductenmarkt. En die wordt vast net zo leuk als de Noordermarkt
in Amsterdam. Wie volgt?
In het
veenweidegebied van de Randstad zit nog een grote vitaliteit bij jonge
boeren die willen blijven doen wat hun voorouders deden. En dat kan.
Niet als ze met hun melk en vlees de concurrentie moeten aangaan met de
bulkproductie van elders op de wereld. Wel als er
vlak bij huis een groeiende markt is voor hun
kwaliteitsproducten. Wat let U, inwoner van de Randstad. U bent toch
niet voor niets Vriend van het Platteland. Luilekkerland ligt in Uw
achtertuin. Het lijkt wel een sprookje.
Bram
van der Vlugt
terug
naar boven ^
De
Groene Glazenmaker
Deze column verscheen eerder in
het eerste nummer van “PLATTELAND” magazine voor Vrienden van het
Platteland, maart 2003
“Elkaar inspireren,
dat is waar het om gaat” zegt Irma. “Boeren en natuurbeschermers
hebben elkaar nodig en kunnen ontzettend veel van elkaar leren.”
Een waarheid als een
koe, zou je zeggen. Maar de werkelijkheid is soms anders.
Wij wonen in het
veenweide landschap van het Groene Hart. Temidden van boeren en
terreinen van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.
Dat is een mooie plek om te wonen. De kans dat dit gebied wordt
volgebouwd of dat er een weg doorheen wordt aangelegd is klein. Toch is
er geen rust op het land. De boeren hebben het moeilijk en de
Ecologische Hoofd Structuur komt maar niet van de grond. Er is
voortdurend discussie over de hoogte van het slootpeil.
Natuurontwikkeling heeft last van verdroging en de boeren willen
voor hun koeien een beetje behoorlijk draagvlak.
Zowel boeren als
natuurbeschermers willen het landschap mooi houden. Maar ze hebben niet
altijd dezelfde opvattingen over kwaliteit.
Ik vraag me wel eens
af of er genoeg bekend is over de rijkdom aan flora en fauna die
aanwezig is op het gewone, productionele deel van een melkveebedrijf.
Het was een mooie
zomerdag in 2001. Een dag om op het terras koude tomatensoep te eten.
Zo’n dag die mooier wordt naarmate de middag vordert en het licht
zachter. Udo was op bezoek. Udo is van Natuurmonumenten. Iemand die, net
als wij, zou willen dat de controversen tussen boeren en
natuurbeschermers niet zouden bestaan. Wij spraken over verleden en
toekomst en vertelden over de boerderij van Theo en Truus hier vlakbij.
Dat daar zoveel zwaluwen in de stal zijn, dat er stukken grasland zijn
die eeuwen niet op de schop zijn geweest en waar een rijk bodemleven
heerst (“Mijn kleinvee” noemt Theo het). Dat het water van de sloten
er zo schoon is en dat de slootkanten door Theo en zijn kinderen met de
hand wordt gemaaid. (“Boeren fitness” noemt Theo dat). Udo kende het
bedrijf niet en wilde het wel es zien.
Theo was aan het
graskuilen. Dat moet voor de avond klaar,
maar hij vond dit wel een bijzondere visite. Hij liet het kuilen
over aan zijn zonen, liep met ons het land in en begon te praten. Hij
liet zien dat zijn koeien nooit de slootkanten kapot trappen, want die
zijn afgezet met een draadje. Hij liet de verharde drinkplaatsen zien.
En de sloot waar hij in zwemt. Hij
vertelde aan één stuk door. We waren onder de indruk van zijn
bevlogenheid. Udo ook. Veel soorten bloemen in de kant, een rijkdom aan
variëteiten. En behoorlijk veel krabbescheer. Een indicator voor schoon
water.
Theo’s jongste zoon
Koen liep mee en was onder de indruk van wat Udo allemaal zag en
aanwees. Eigenlijk wist ie niet dat hun sloten zo bijzonder waren.
Opeens boog Udo zich
naar voren en wees een onaanzienlijke libel aan. “Kijk!”zei hij
“De gewone pantserjuffer. Als die zich hier lekker voelt dan heb je ècht
schoon water.” Theo en Koen incasseerden het compliment . Een meter of
tien verder gebeurde het wonder. Udo verslikte zich bijna. “Er zijn er
wel vijftig! En kijk daar: de variabele waterjuffer! Die wil niet alleen
een prima vegetatie in het water, maar die is er alleen als ook de
kwaliteit van de oever top is.” Koen
luisterde met rode oren. Wees Udo op allerlei ander moois, dat hìj nou
weer bijzonder vond. Er ontstond een levendige gedachtenwisseling. Een
mooi voorbeeld van wederzijdse inspiratie. En toen zei Udo: “En daar
hebben we de groene glazenmaker. Dat is een rode lijst soort. Dat wil
zeggen dat ie er bijna niet meer is.”
”En wìj hebben ‘m!” riep Koen.
Het was een mooie
zomeravond in juli op de boerderij.
Bram van der Vlugt
terug
naar boven ^
|